Heeft de biologisch dynamische-landbouw Rudolf Steiner wel nodig? - Deel 1
Openingsvoordracht door Mieke Mosmuller eind oktober 2012 voor ongeveer 200 studenten biologisch-dynamische landbouw in Fulda (DE)

04-04-2013 Artikel van Mieke Mosmuller

Het is voor mij een eer hier vandaag te mogen zijn en een voordracht te houden, want ik voel mij natuurlijk een vreemdeling hier. Ik kom uit een ander land, met een andere taal, ben geen landbouwer en ben tot op heden nauwelijks in aanraking geweest met landbouw. Dit maakt dus dat ik mij toch een beetje vreemd voel, maar dat zal wel overgaan.

Wat ik heb, dat is een relatie met de Anthroposofie en met Rudolf Steiner. Een heel kleine relatie tot de landbouw is er echter wel, want de families van mijn beide ouders waren oorspronkelijk boerenfamilies. De ene familie in Zuid-Limburg, de andere in het midden ervan. Daar lag een kleine provinciestad en in deze stad lag het ouderlijk huis van mijn vader. Daar was ik natuurlijk vaak. Dat was dus een huis midden in de stad en er was een heel kleine tuin. Aan het einde van die tuin stond een schuur en in die schuur zaten drie deuren. De ene deur, rechts, ging naar de schuur van de buurman, links zat een deur die naar een schuilplaats uit de oorlog leidde, en er was een deur rechtdoor. Wanneer men die opende, kwam je onmiddellijk in een koeienstal. Deze koeienstal lag dus midden in de stad. Dan was er nog een naburig huis waarin ook weer een familie woonde, die helemaal geen tuin hadden. Die hadden alleen maar een koeienstal in het achterhuis. Hoe dat nu eigenlijk precies in elkaar stak, dat weet ik niet meer. Dat is toch wel een merkwaardige indruk die je daar als kind krijgt. En ik wist natuurlijk helemaal niets van een ‘boerderij-individualiteit’. Het heeft toch wel een merkwaardige indruk achtergelaten dat zich koeien naast het woonhuis bevonden en er helemaal geen weilanden of zo waren. Dat is op zich mijn enige ervaring met het boerenbedrijf.

Salat

Maar ik ben arts en daar heb ik dan toch een relatie tot jullie denk ik. Omdat je als arts met mensen te maken hebt, heb je een probleem dat vergelijkbaar is met de landbouw. Want we leven in het tijdperk van het abstracte denken, het verstandsdenken, en dat leidt ertoe dat we geen orgaan meer hebben waarmee we het leven van een wezen, of de reële ziel van een wezen, laat staan de geest ervan kunnen waarnemen. Wanneer je een medemens ontmoet die patiënt is dan weet je natuurlijk dat deze patiënt leeft, want als hij niet meer leeft dan houdt het nut van de arts op. Je hebt dus nog steeds de mogelijkheid vast te stellen dat het een levend wezen is, maar door de studie geneeskunde is eigenlijk alles wat kennis is in de geneeskunde helemaal dood.

Ik heb van een vriendin in Denemarken gehoord dat daar een hoogleraar in robotologie is, in robotkunde dus. En het schijnt dat hij tijdens de lezingen robotten neerzet in de collegezaal. Die zijn dan heel kunstig gemaakt van een materiaal dat daar geschikt voor is. En blijkbaar is het zo dat de studenten niet altijd meteen zien dat het geen mens is. Alleen kinderen, wanneer kinderen in de buurt worden gebracht van een dergelijk creatuur dan zijn ze bang. Alleen de volwassenen hebben dat niet meteen door. Zo is het mij ook een keer gebeurd dat ik in een winkel kwam waar mooie boeketten met bloemen, en prachtige planten stonden. En ja, ineens kreeg ik het gevoel van doodse stilte. Vervolgens heb ik de planten en bloemen aangeraakt en bleek dat het kunstbloemen en –planten waren, zo goed nagemaakt, dat het met het oog niet te zien was.

En zo stel ik mij voor, dat er onder jullie ook mensen zijn, die zelf nog niet onmiddellijk kunnen ervaren dat de aarde en de kosmos, een levendig bezield, doorgeestelijkt wezen is. Het zou voor mij interessant zijn om van jullie te horen wat een hedendaags jong mens ertoe beweegt om toegewijd te zijn aan de biologisch dynamische landbouw? Is dat omdat je dan een alternatief hebt voor de gewone landbouw? Of is het toch een interesse in de anthroposofie? Is het een verlangen naar het levende in de natuur? Het is mij natuurlijk niet duidelijk hoe dat zit bij jullie, maar ik kan mij voorstellen dat er veel jonge mensen zijn die in de aarde en de kosmos eigenlijk ook niet meer het levende beleven kunnen en ook helemaal niet de gedachte en de ervaring kunnen hebben dat de aarde een voelend wezen is en dat er ook iets geestelijks in leeft.

Ik kan me voorstellen dat er onder jullie mensen zijn die zeggen: ja, het moet wel zo zijn dat de aarde een levend wezen is en dat er een samenhang met de kosmos is, maar dat is toch nog wel iets anders dan dat je het ook beleeft. En ik denk dat het allerbelangrijkste is dat je daartoe eerst een vraag voelt, dat er een bepaald verlangen ontwaakt om verder te komen in de kennis over de aarde en de kosmos, dat er een verlangen ontwaakt iets te ontwikkelen, waarmee je werkelijk het levende van de wereld, van de aarde ook daadwerkelijk zelf zou kunnen beleven. Ik denk dat als dit soort vragen niet in jullie leeft dat het dan moeilijk zal worden om tijdens de arbeid in de landbouw tijd te vinden voor innerlijke ontwikkeling. Wanneer er in jullie niet iets wakker wordt dat vraag is – dat zegt: ja, ik kan dat toch niet zonder meer verdragen, dat ik zo het leven bewerk, met zielewezens, met dieren omga en niets weet van de samenhangen die er zijn tussen het 'aardige', het waterige, het luchtige, het vurige, het psychische, het geestelijke.

Je kunt er natuurlijk iets vanaf weten. Je kunt allerlei literatuur kopenen er dan iets vanaf weten, maar zelf beleven zou toch nog iets heel anders zijn. En dat is dan het eerste dat ik hier zou willen noemen. Tijd vinden voor spirituele ontwikkeling in een drukbezette dag op de boerderij is naar mijn mening alleen mogelijk wanneer er een verlangen ontwaakt naar verdere ontwikkeling en naar meer kennis. Ik geloof niet dat het mogelijk is dat iemand anders tegen jullie zegt: “hoor eens, je moet eigenlijk Rudolf Steiner bestuderen, want daar vind je de bron van de biologisch dynamische landbouw”. Jullie moeten zelf een gemis gewaar worden in het samenleven met de landbouw en de boerderij.

Wanneer daardoor een verlangen gewekt wordt, dan is het natuurlijk vanzelfsprekend dat er allerlei literatuur gekocht of geleend wordt of iets van dien aard. Dat zij, die naar ontwikkeling streven, dan ook beginnen met lezen en dan misschien hopen daar antwoorden te vinden is heel goed te begrijpen. Ik denk echter dat het voor jonge mensen in deze tijd toch heel moeilijk is meteen vriendschap te sluiten met de klassieke literatuur van de Anthroposofie. Dat hangt daarmee samen, dat de reële werkelijkheid van de Anthroposofie grotendeels niet echt tot leven is gekomen.

Wij moeten ons voorstellen dat Rudolf Steiner een mens was die een gave had om het levende, de ziel en de geest onmiddellijk waar te nemen. Hij had deze gave reeds als kind en toen hij naar school ging en begon met leren ontstond langzamerhand het verlangen om deze innerlijke helderziendheid, die tot inzicht leidde, in overeenstemming te brengen met het wetenschappelijke kennen dat hij op school leerde. Dat is hetgeen waarvan je kunt zeggen dat het door Rudolf Steiner volbracht is.

Dat hij vanuit de wetenschap naar exacte helderziendheid en van exacte helderziendheid weer naar de wetenschap leidt, dat is natuurlijk niet iets wat je geloven moet. Anthroposofie moet eigenlijk nooit geloofd worden. Ik denk dat het werkelijk verkeerd is als je denkt dat Rudolf Steiner zijn Geesteswetenschap gebracht heeft opdat er volgelingen komen die dat geloven willen. Dat moet iets vreselijks voor hem geweest zijn, wanneer mensen deze mening hadden en er tegenwoordig nog altijd mensen zijn die de overtuiging hebben dat de Anthroposofie geloofd moet worden.

Dat is werkelijk geen Anthroposofie. Want Rudolf Steiner heeft een weg gewezen en deze weg leidt elk mens, die dat wil, naar eigen beleven van het levende, de ziel en de geest. En wanneer je dit zelf ervaart, dan hoef je niet te geloven. En dat is ook zo wanneer je lezingen, die Rudolf Steiner gehouden heeft, leest. Dan kun je zeggen: ja, je ontvangt een grote hoeveelheid “kennis” , die je niet onmiddellijk kunt toetsen. Wat moet je dan daarmee? Dan wordt er toch iets van geloof aan toegevoegd als je zegt: ja, dat zal wel zo zijn; ik zal het dan maar aannemen.

Dat moeten wij echter helemaal niet willen. En ik hoop dat ik in de twee komende dagen daar voorbeelden van kan geven, gewoon door oefeningen. Het is mogelijk, ook wanneer je helemaal geen spirituele kennis of ervaring hebt, iets met het “leerwerk” van Rudolf Steiner te doen waardoor het geen geloof hoeft te zijn maar het in de eigen gewaarwording en ervaring gebracht kan worden.

Markt

In de Anthroposofie heeft Rudolf Steiner ons getoond, dat het brein van de mens eigenlijk het orgaan is waardoor wij niet meer de capaciteiten hebben dit leven, deze ziel, en deze geest zelf waar te nemen. Het is dus ons brein dat eigenlijk de spirituele ervaringen bedekt. Maar tegelijkertijd is het brein ook het orgaan waarmee wij kunnen onderscheiden. Wanneer wij dus zouden zeggen: nu, dan schakelen wij ons brein gewoon uit, dan kunnen wij onze spirituele ervaringen waarnemen, dan zou dat betekenen dat wij deze spirituele ervaringen misschien kunnen hebben maar wij ze niet meer onderscheiden. Wij kunnen dan dus niet meer weten wat wij dan inderdaad aan ervaringen hebben. Daarom is het noodzakelijk dat, indien wij zelf tot spirituele ervaringen willen komen, wij iets met onszelf moeten doen waardoor wij niet meer met ons brein hoeven te denken en desondanks de geschiktheid behouden toch te denken. Dan kun je een nieuw orgaan ontwikkelen en met dat orgaan kun je deze dingen zelf ervaren die Rudolf Steiner in zijn landbouwcursus voor de boeren aangehaald heeft. Dat gaat natuurlijk niet van vandaag op morgen. Echter zodra je er op de juiste wijze mee begint deze weg te gaan dan verandert er al iets.

Het is dus niet zo dat, indien ik dit wil ontwikkelen, ik enige uren per dag voor studie en ook nog misschien één uur per dag aan concentratie en meditatie nodig heb. Dat gaat eenvoudigweg niet samen met het vele en harde werk.

Ikzelf had een dokterspraktijk toen ik jong was en bovendien een man en drie kinderen. Toen was het natuurlijk ook niet makkelijk tijd te vinden om toch iets aan de Anthroposofie te doen door deze oefenweg te beginnen. Het enthousiasme was echter zo groot en wees mij de weg die tijd dan toch te vinden. Want elk mens moet rusten als hij overdag hard gewerkt heeft. Het moment dat het werk gedaan is, komt altijd. En waarom zou je dan niet een moment kunnen vinden om je sterk te concentreren op één gedachte. Wanneer het dan voorjaar is, zomer is en herfst wordt en je op het land werkt, is er dan niet ook, indien je wilt, af en toe een minuut om te stoppen. En niet alleen maar voortdurend door te werken maar eens kort te pauzeren en zich vervolgens een moment te bezinnen. Alle uitvluchten, waarom dat niet kan, laten altijd zien dat je eigenlijk niet echt wilt. Bij jezelf ontbreekt het enthousiasme om iets meer tot ontwikkeling te brengen dan er reeds aanwezig is.

Dan is er natuurlijk die vraag, dat Rudolf Steiner spreekt van “boerderij-individualiteit”. Dat is een zeer moeilijk begrip. Het mag niet enkel een benaming blijven, maar wij moeten proberen ons zo in zijn aanwijzingen in te leven, dat wij er werkelijk in onderduiken en daardoor de mogelijkheid scheppen werkelijk te beleven wat “boerderij-individualiteit” inhoudt. Ik kan mij voorstellen dat het voor een boer zó wordt, deze individualiteit, deze “boerderij-individualiteit”, dat het een vriend wordt waarmee je samenleeft. Hij heeft als huid ongeveer de grens van zijn bezit, in zijn hoofd het wortelachtige en in zijn buik de stofwisseling. Langzamerhand ervaar je dan het landgoed als iets organisch, als een wezen. Zeg je het alleen maar, werkt het misschien afstotend. Maar verdiep je je er in, dan kun je beetje bij beetje een gevoel krijgen wat daarmee werkelijk bedoeld wordt.

Vertaling Truus Peil en Jolanda Mourik-de Vilder


Naar het tweede deel van dit voordracht: klik hier!