Moeder van een koning
Boekbespreking

19-03-2013 Recensie van Lieke van der Ree

berg

Als je het boek Moeder van een koning leest, merk je al gauw dat dit geen gewone roman is. De eerste woorden zijn “er was eens”, je beleeft het geschrevene als een sprookje waarin de ontwikkelingsweg van ieder van ons wordt beschreven.

Zo leren we de hoofdpersoon kennen die in latere romans Johannes wordt genoemd. Als kleine jongen groeit hij op in innige verbondenheid met de natuur die rondom zijn ouderlijk huis in volle pracht aanwezig is. “Kind van het geluk dat was hij, maar hij wist het niet.” Op school heeft hij aanvankelijk geen interesse voor de lessen. Toch blijkt later op de middelbare school zijn begaafdheid en hij gaat geneeskunde studeren. Johannes leeft nu in een studentenstad en komt pijnlijk tot het besef dat datgene wat hem in zijn jeugd zo innig had beroerd, de natuur waarmee hij zich zo vanzelfsprekend één had gevoeld, onbereikbaar buiten hem staat.

Als hij is afgestudeerd krijgt hij van zijn ouders een reis cadeau. In de bergen komt hij bij een kerkje waar net een begrafenis plaatsvindt van een beeldschoon 18-jarig meisje. Het is voor Johannes alsof met dit meisje ook zijn geluk begraven wordt. Vanaf dit moment leeft hij met de vraag: wat is het wezen van de dood? Die vraag neemt hij mee in zijn werk als arts. Hij wil het sterven van anderen verlichten en de mensen helpen dat zij elkaar niet ontijdig hoeven te verliezen. Hij werkt en leeft in strenge zelfdiscipline om zijn medemensen te leren begrijpen.

Als Johannes hoogleraar is, wordt in zijn kliniek een doodzieke patiënt binnengebracht. Bij het zien van deze man is Johannes tot in het diepst van zijn ziel geraakt. Hij waakt in de crisis aan diens bed; deze mens die hij nu al zo innig liefheeft mag niet sterven… Vertrouwd als Johannes is met de dood ‘ziet’ hij deze naderen en bidt tot zijn God die hij vergeten was: ”’Oh verstarring, oh zwijgzaamheid - maak plaats voor de beweging, voor het levende Woord. ’” Dan ‘ziet’ hij de macht van het Leven opkomen die de ademhaling beweegt en het bloed voortstuwt. En hij ziet ook zichzelf: “geketend was hij geweest aan de Dood, maar het Leven was in de strijd, onzichtbaar achter zijn rug, steeds zijn Heer geweest, zijn medestrijder, de eigenlijke Meester maar niet gekend, niet geëerd”.

De patiënt blijkt een oosterse meester te zijn. Hij geneest voorspoedig en er ontstaat een innige vriendschap tussen hem en Johannes. Als hij bijna het ziekenhuis mag verlaten heeft hij een vriendschappelijk gesprek met Johannes, wiens vermoeide trekken hij waarneemt. Hij vraagt Johannes: “‘Professor, wat hebt u met uw geluk gedaan? U werkt hier met de Dood, zoekt u ooit het Leven op - de zon, maan en sterren, de vogels, de bloemen?’” Johannes wordt door deze vraag geraakt en de herinneringen aan zijn jongensjaren komen boven. Hij durft zijn verdriet onder ogen te zien en als hij alleen is, vloeien de tranen waarna er ruimte komt voor hoop op de toekomst. De beide vrienden willen elkaar blijven ontmoeten en de meester nodigt Johannes daarom uit voor een verblijf in diens instituut in de bergen. In de zomer reist Johannes hiernaar toe en woont een voordracht van de meester bij waarin deze de mythe vertelt van Demeter, de aardemoeder en Persephone, haar dochter.

De meester vertelt hoe in oude tijden de mens één was met moeder Natuur en door haar gevoed werd met haar vruchten en haar schone kleuren, geuren en vormen. Haar dochter, Persephone, was de levende ervaring van moeder aarde. Zij borduurde aan de sluier van haar moeder, schitterende beelden scheppend en kon dit doen zolang ze zich niet door zelfliefde liet verleiden. Maar de krachten van de dood wilden bezit nemen van Persephone, van de beleving in het menselijk innerlijk. Zij wilden de mens uitzonderen uit de goddelijke eenheid, uit de eenheid met moeder Natuur. In het menselijk bewustzijn zouden dan slechts afbeeldingen van de natuur en van God zijn. Daartoe zond de God van de onderwereld, Hades, een verleider om Persephone te verlokken de bloem van de zelfliefde, de narcis, te plukken. Dit was Eros, die aan Persephone beloofde dat zij door deze daad diep inzicht zou verwerven in de aarde en in zichzelf. En nadat zij de bloem plukte, werd Persephone weggevoerd naar de onderwereld, het onderbewustzijn. In zijn voordracht roept de meester op om zich te ontdoen van zelfliefde, opdat de hereniging met moeder Natuur kan plaatsvinden. Hij zegt dat het verstand en de zintuigen de dood in zich dragen en dat de mens zich moet bevrijden uit de kluisters van de lichamelijkheid.

Johannes zoekt deze hereniging ook en volgt de aanwijzingen van de meester op. Hij heeft ervaren dat de natuurkrachten door de meester werken als hij spreekt en herkent deze uit zijn jeugd. Onder leiding van de meester oefent hij en laat de spanning van zijn verstand wat los waardoor zijn gemoed in beweging komt. Hij oefent zich in het tot stilstand laten komen van het denken, zelfs van de impuls tot denken. Hierdoor duikt hij echter ook onder in zijn eigen natuur. Als hij dan verliefd wordt op een medecursiste ervaart hij dat hij doordrenkt is met begeerte en zelfzucht. De schouw die hem zichzelf in zijn diepten toont brengt hem tot wanhoop. Maar uiteindelijk maakt de angst plaats voor weemoed en komt er een gevoel van troost over hem. Hij herinnert zich de woorden: “Es lebte Christus einst auf Erden, und dieses Lebens Folge war….” Het vervolg herinnert hij zich niet meer, maar hij heeft de rust hervonden om weer na te denken.

Moet hij zich nu van zijn liefde voor het meisje afkeren en weer opgaan in zijn gedisciplineerd en idealistisch leven? Maar leven op zijn oude manier kan hij niet meer, hij heeft geproefd aan een verbinding met de natuur in hem. De meester volledig volgen kan hij ook niet, want hij zoekt hereniging met de natuur en met God, maar met behoud van zichzelf. Hij wil doorzien wat hij doet. De vragen staan levensgroot voor hem: “Hoe overbrugt een mens de afgrond tussen zijn verstand en de natuur buiten hem, maar ook tussen het zuivere denken en de natuur binnen hem?” Het raadsel kan hij niet oplossen en hij heeft geen andere keus dan om de meester en het meisje te verlaten en terug te keren naar de stad.

Onvermoeibaar zet hij zich in om zijn lijdende medemens te helpen. De vraag hoe de afgrond te overbruggen is met behoud van bewustzijn houdt hem bezig, verbonden met de vraag waar ‘werkelijkheid’ te vinden is. Johannes beleeft die werkelijkheid het sterkst in verbinding met een medemens die echt zichzelf is. Maar die werkelijkheid vindt hij noch in de natuur, noch in zijn eigen lichamelijkheid. Die blijven buiten hem staan, ook al had hij bij het verblijf bij de meester een eerste verbinding ervaren.

Als het weer zomer wordt logeert Johannes bij zijn ouders en maakt hij tochten in de prachtige omgeving. Als hij een afgelegen kloosterkapel bezoekt leest hij: “Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God.” Hij denkt aan zijn meisje en vraagt zich af: ”Hoe kan men ooit komen tot de grote liefde als men de kleine uit de weg gaat? Is er geen middenweg tussen onderdrukken en je uitleven?” Dan ontmoet hij daar een man van wie een grote troost uitgaat. Deze blijkt een diep inzicht in Johannes’ innerlijke worsteling te hebben zonder dat ze elkaar ooit gezien hebben. De onbekende stelt de vraag:
"‘Professor, wat ziet u als uw hoogste kunnen?’
‘Mijn vermogen om te begrijpen - om samenhangen te doorzien.’
‘Wat is dan uw grootste hindernis?’
‘Mijn verstand.’
‘Uw talent is tevens uw hindernis. Professor, wat is het meest ondoorgrondelijke raadsel voor u?’
‘Het sterven.’
‘Wat raakt u het meest?’
‘Het scheiden.’
‘U bent dus het meest getroffen door wat u niet doorgrondt? Zoek met uw grootste talent de oorsprong van wat u het meest raakt. Dan doorgrondt u het raadsel en overwint uw hindernis.’”

Johannes beseft dat hij zijn talent, het vermogen om te begrijpen, moet inzetten om zijn verstand te begrijpen. Het verstand leeft in de tegenstellingen. De oergrond van de wereld leeft in het worden tussen tegenstellingen, in de overgang. Het begrijpen van het grondwezen van het verstand is overeenkomstig het begrijpen van de scheiding. Tijdens dat begrijpen beweeg je je, dat is het worden - geboren worden, sterven, opbloeien, afsterven - en daarbij hef je de scheiding op. Geen vlucht over de afgrond of sprong tussen tegenstellingen, maar begrip en bewustzijn tussen beide oevers van het zijn.

Als Johannes de volgende dag de Onbekende weer ontmoet, weet hij dat zijn zuivere, zichzelf begrijpende denken een verandering zal ondergaan, met liefde doorstroomd mag worden. Dit nieuwe denken zal zijn hele wezen doordringen en zijn eigen kleine, zelfzuchtige liefde louteren. Dat dit ideaal werkelijkheid kan worden, toont de onbekende hem door zijn eigen wezen. Johannes vraagt aan de vreemdeling hoe hij deze inspiratie kan behouden tijdens het drukke leven in de stad. Het antwoord is: “’Word filosoof. Bedenk steeds dat de wijsheid de moeder van de liefde is. U zult filosoof moeten worden, strevend in liefde en onschuld naar de moeder, zij is uw intelligentie. En zij schenkt u de Zoon, uw geluk , in nooit aflatend streven.’” De ontmoeting met deze Meester geeft Johannes de moed om te werken aan de omvorming van zijn eigen natuur.

Maar niet alleen hij, ook het meisje, in latere romans Eva genaamd, en de meester maken veel door na het moment dat Johannes hen in de bergen verliet. Als Eva haar examens heeft gedaan en co-assistentschappen moet gaan lopen besluit ze bij Johannes in het ziekenhuis te gaan werken. Ze kan dan in zijn nabijheid leven, ook al zal hij nooit haar minnaar worden. Omdat haar hartstochtelijke natuur een loutering doormaakte en Johannes de moed kreeg om niet alleen zijn bovenpersoonlijke liefde maar ook zijn persoonlijke liefde te ontwikkelen kunnen zij nu toch een relatie aangaan. Stap voor stap overwint Eva haar behaagzucht en lichtzinnigheid en Johannes zijn gestrenge dominantie en zijn intolerantie voor onvolmaaktheid.

Ook de meester heeft tijd nodig om een bijzondere ontwikkelingsstap te maken. Terwijl hij altijd gezworen heeft dat het denken aan alle decadentie in het westen ten grondslag ligt en je dit dus moet leren afleggen, leert hij in Johannes een zuiver en begrijpend denken kennen dat hij juist als de kroon op de schepping gaat zien. Dit denken gaat hij ook zelf zoeken. Aan de hand van het natuurwetenschappelijk werk van Goethe leert hij denken met behoud van de beleving die bij hem zo zuiver ontwikkeld is. Als de tijd er rijp voor is, komt hij naar de stad waar Eva en Johannes intussen samenwonen.

Ieder van hen ontwikkelt zich op de scholingsweg op zijn eigen individuele manier, terwijl ze elkaar onderling inspireren door de zo eigen kwaliteiten. De meester bekwaamt zich verder in het ‘belevende’ denken. Eva vormt haar levendige, subjectieve denken om tot zuivere, ingeleefde geestkracht. Johannes ontwikkelt een denken, dat zich in eerste instantie losmaakt van de beleving, door de dood van het gewone oordeel heen gaat en dan in zichzelf als beleving opstaat als aandacht. Dit denken is vrij van oordeel, is geheel beleving maar toch helemaal denken. Alle drie zijn zij op zoek naar zuiverheid. Johannes toont het zuivere oordeel, de meester het zuivere gewoonteleven en Eva het creatieve, spontane zuivere denken. Ze zijn op zoek naar een denken ”dat even krachtig is als de oerkrachten in de natuur, dat kan dienen voor die nieuwe geboorte, voor de mens die de dood trotseert”. Dit is een denken dat buiten de starre grenzen van het verstand treedt en dan merkt dat het ingebed is in een liefdessubstantie die het verwarmt en verzacht. In dit denken vind je je eigen mens-zijn en de samenhang van dit mens-zijn met de ander, met de natuur. De zelfkennis geeft bescheidenheid en dit is een voorwaarde om de paden van de geest te bewandelen. Ware vrijheid is verbonden met nederigheid, met inleven, anderen begrijpen, aanvoelen. Het is verbonden met de hoogste moraliteit en weet te vereren wat het vereren waard is.

Bij het huwelijksfeest met Eva staat het jongensideaal van Johannes dat hij begraven had, op in een nieuwe gedaante. Het is voor alle gasten zichtbaar als ze musiceren. Ze vormen een eenheid: wanneer hij de melodie heeft, voegt zij zich naar hem in vanzelfsprekende soepelheid… heeft zij de boventoon dan wordt hij stil en bescheiden.

Deze eenheid wordt echter al spoedig op de proef gesteld. Een ex-vriend van Eva komt in het ziekenhuis als assistent arts bij Johannes werken. Deze jonge man is in velerlei opzichten het tegendeel van Johannes, hij leeft voor zijn eigen genot, drinkt veel en slaat zijn vriendin. De hartstochtelijke natuur van de jonge man en hun gezamenlijk verleden laten Eva niet onberoerd en de situatie vraagt van haar dat ze dieper dan ooit haar verantwoordelijkheid voor haar huwelijk met Johannes op zich neemt. Deze positieve ontwikkeling maakt mogelijk dat Johannes zich meer met de jonge arts verbindt.

Aanvankelijk was deze laatste meer arts voor de status dan voor het helpen van zijn zieke medemens. Johannes kan niet tolereren dat zijn medewerker de patiënten als objecten behandelt en leert hem om de lijdende mens te zien en ook daarnaar te handelen. In de zomer gaan Johannes, Eva en de jonge arts die in latere romans Peter wordt genoemd, naar het instituut in de bergen. Daar ontmoet Peter de meester, wat een enorme invloed op zijn leven heeft. Hij beleeft hier hoe nietswaardig de mens is die slechts zijn eigen genot zoekt. Er begint een proces van ommekeer waarin de jonge arts onder invloed van de vriendschap van Johannes langzamerhand van verstokte atheïst tot geestzoeker wordt. Hij ontmoet in het instituut een mede-cursiste, Elizabeth, die wiskundige blijkt te zijn. Voor het eerst in zijn leven voelt hij voor een vrouw eerbied en er ontstaat een liefde tussen hen. Voor haar wordt hij geduldig, zij overwint voor hem haar angsten.

Nu Johannes en de meester weer samen zijn in de bergen kunnen zij hun ervaringen op de scholingsweg intensief uitwisselen. De meester zoekt de weg vanuit het lichaam naar het denken en Johannes vanuit het denken naar het lichaam. Doordat de meester vertrouwd is met het schouwen van de natuurkrachten en hij zich tevens in het denken verdiept, kan hij Johannes raad geven: ”’Maak je denken zo sterk mogelijk. Word met de kracht van je ik je denken gewaar. Open je ogen en houd de kracht in stand. Je hebt nu het volle bewustzijn van je ik in het denken. Richt nu je oog op iets in de omgeving en drink dit op met je zintuigen, zonder het ik toe te staan om voorstellingen te vormen (waarnemen zonder verstand, maar met ik-bewustzijn). De krachten van het zuivere denken worden zo teruggeleid tot een bewustzijn van de natuurkrachten.’”

Wat Johannes, de meester, Eva en Elizabeth verbindt is de kracht van de verwondering. Elizabeth beschrijft hoe zij de verdieping zoekt, de overgang van het denken over het denken naar het schouwen in de geestelijke wereld. “’De vererende verwondering voor het denkproces moet de overgang zijn’”, denkt zij. De meester legt het uit: ”‘De kracht van de verwondering draagt de stralende lichtwerking van je zuivere denken steeds dieper omlaag naar je eigen natuur, naar je lichaam. Wanneer je erin slaagt om je zelfbewustzijn toeschouwer te laten zijn van het ‘huwelijk’ tussen jouw zuivere denken en het leven van je lichaam, bereik je de helderziendheid.’”

Na het verblijf in het instituut gaan Eva en Johannes samen nog een paar dagen naar een mooi huisje in de bergen. Hun liefde verdiept zich steeds meer. ’s Avonds onder de indruk van de prachtige sterrenhemel vertelt hij hoe de sterrenhemel tot hem spreekt: “’O, mens, ken uzelf. Vind in het schijnbare niets van het ik, het iets dat uit de schijn verlost. Het ik is slechts een gedachte, is schijn, totdat het reële waarneming wordt, even werkelijk als de waarneming van het eigen lichaam. Dan blijkt het ik samen te klinken met kosmische tonen, het komt van buitenaf op zachte, golven bij je terug, doordringt je onherroepelijk en drijft de macht van het egoïsme uit.’” “Eva vraagt hem: ‘Hoe wordt dat schijn-ik reële waarneming,waarachtig ik?’
‘Door de hand aan te nemen, die eenieder wordt aangereikt, van Degene in wie de kracht van de realiteit het wezen is.’ ’Hoe vind ik die hand?’
‘Je vindt die hand in het middelpunt van je ziel, daar waar je de kracht vindt om stand te houden als zuiver ik. Als zuivere initiatie, in een zuiver denken. Eerbied en verwondering voor het vermogen tot denken, even groot als voor het wonder der schepping, dat heeft de mensheid nodig, daartoe is zij verplicht. Dan metamorfoseert zich dat denkvermogen in een levend wezen, verenigd met het geestelijk deel van de aarde:

Es lebte Christus einst auf Erden
Und dieses Lebens Folge war
Dass er in Seelenform umschwebt des Menschen Werden
Er hat sich mit der Erde Geistesteil vereint.’”
 

Dan baart de wijsheid de liefde, Sophia wordt moeder van een koning.

Eens leefde Christus op de aarde.
En daarvan is de vrucht
Dat hij in zielevorm omzweeft
De ontwikkeling der mensen.
Hij heeft zich nu verbonden
Met het geestelijk deel der aarde.
 

Moeder van een koning