Lezing over mindful thinking - deel 1
Theater Perdu Amsterdam - mei 2017

14-03-2018 Artikel van Mieke Mosmuller

Goedenavond, hartelijk welkom voor deze lezing over mindful thinking.1

Sinds 3 jaar schrijf ik wekelijks een tekst voor een website die speciaal daarvoor is ingericht. Dat zijn wekelijkse teksten die ik in het Engels, Duits en Nederlands publiceer. Toen ik de Engelse teksten begon te schrijven, was dat voor mij niet gewend... Met wat hulp van hier en daar en soms fouten erin ging het toch. Zo zocht ik het woord ‘gewetensvol’ en vond de vertaling: mindful.

Het woord raakte me werkelijk. ‘Mind’ is eigenlijk niet goed te vertalen, je zou zeker niet zeggen dat dit ‘geweten’ betekent. Het woord ‘mindful’ maakte de herinnering wakker aan mijn onderzoek van de meditatietraining ‘mindfulness’, dat ik in 2011 deed. Ik las met veel belangstelling een boek daarover en probeerde zorgvuldig de oefeningen te doen. Het was het boek van Jon Kabat-Zinn. Zo heb ik mindfulness, zoals die door hem geïnitieerd is, goed leren kennen, ook de weldadige eff ecten daarvan. Bij die mindfulness-training heb ik leren kennen hoe een oosters georiënteerde visie op de mens in praktijk wordt gebracht. Waarbij je in eerste instantie gaat letten op je ademhaling - en intussen gaan natuurlijk de gedachten en gevoelens door. Waar het dan om gaat is, dat je op een niet oordelende wijze - dus je oordeelt over niets, niet over de ademhaling en niet over je gedachten en niet over je gevoelens en niet over wat om je heen aan storingen optreedt, helemaal niet - je overgeeft aan het opmerkzaam vervolgen van de in- en de uitademing. Daarbij moet een mate van geduld worden geoefend, die je als westerse mens in het gewone leven niet zo praktiseert. Je merkt natuurlijk dat je ook faalt en dat het zo is dat je iedere keer weer afgeleid raakt van de ademhaling en je weet dat het er op aan komt dat je niet alleen niet oordeelt daarover en dat je niet alleen geduldig daarin bent, maar dat je ook altijd maar weer opnieuw begint, dat je een vertrouwen hebt in dat wat je doet.

Wat heel belangrijk is, is dat je niet een doel nastreeft. Dat is iets wat we in onze westerse wereld eigenlijk voortdurend aan het doen zijn. Een doel nastreven. En als we iets niet als doel zien? Dan wordt het ons wel als doel gepresenteerd, zodat je wel mee moet hollen.

In de ogenblikken van de mindfulness-training probeer je je te dompelen in een niet-streven! In een volledig aanvaarden van alles zoals het op dat moment is, en in een loslaten van alles wat je bindt of wat je vasthoudt. Wat daardoor ontstaat wanneer je dat een kwartier, 20 minuten, praktiseert en dat dan ook werkelijk regelmatig dagelijks herhaalt, is dat je een rustige aanschouwing ontwikkelt van de ademhaling.

Je zou je kunnen voorstellen dat je een andere functie zou kiezen dan de ademhaling en daar heb ik ook wel over gelezen, je kunt bijvoorbeeld ook een zintuiglijk gewaarzijn van je lichaamshouding hebben. Wanneer je op een stoel zit te mediteren, dan kun je met alle opmerkzaamheid en het niet oordelen, het geduld, het vertrouwen, het niet streven, de aanvaarding en het loslaten, door te dringen tot het zintuiglijk bewust zijn van je lichaamshouding. Zo zou je kunnen voorstellen, dat je ook naar buiten toe een zintuiglijk gewaarzijn kunt ontwikkelen voor de wereld om je heen en dat lijkt me een van de geliefde gevolgen van deze training. De mindfulness wordt ook wel aangeboden, niet alleen als methode tegen de stress, dat is heel duidelijk dat het zo wordt aangeboden, maar ook als een methode om ertoe te komen dat je in het leven er echt kunt zijn, in het moment. Het gaat erom dat je niet in gedachten verzonken met totaal iets anders bezig bent dan met waar je bent en met wat het leven je op dat moment te bieden heeft. Dat je dat niet verdroomt of niet meemaakt.

Aandacht is het wat door deze training ontstaat. Aandacht. En door de aandacht dan ook een veel sterker vervuld worden met het er- zijn. Dat betekent meestal dat dan ook de aanwezigheid meer gewetensvol wordt. Dus dat je ook met meer, laat ik maar zeggen, moreel gevoel, met morele impulsiviteit in de werkelijkheid staat.

Ik doe deze onderzoekingen omdat ik geïnteresseerd ben in de verschillende mogelijkheden die er voor meditatie zijn voor een spirituele ontwikkeling. En meditatie is natuurlijk een woord dat gebruikt wordt voor heel veel verschillende innerlijke of uiterlijke bezigheden.

Als belangrijkste levensvervulling heb ik zelf de meditatie leren kennen zoals je die kunt vinden in de anthroposofie van Rudolf Steiner. Daar wordt een meditatieweg gegeven die in eerste instantie niet met de functies van het lichaam te maken heeft en ook niet met de waarnemingen met de zintuigen, maar die verwijst naar het feit dat je als mens een denkend wezen bent.

Daar begint al de eerste mogelijkheid van verwarring, want in ons spraakgebruik wordt het denken gelijk gesteld aan het hebben van gedachten en in die zin is ieder mens een denkend wezen. We hebben allemaal onze gedachten. We vinden vaak zelfs dat die ons juist zo storen om in het moment echt te zijn!

En wanneer je het denken zo opvat dat het betekent: het hebben van gedachten - ja dan zou je eigenlijk niet graag een anthroposofische meditatie beginnen, want die gedachten heb je al genoeg en wat zou je willen zoeken om daar nog iets aan te versterken of te vergroten of te verlevendigen?

Maar dat is niet het denken dat in deze vorm van meditatie wordt bedoeld, in deze vorm van meditatie wordt met denken iets bedoeld waardoor je de zin van de dingen vat. Als je zegt: Wat is de zin van het leven? - dan is dat natuurlijk een wel heel grote vraag, die zou je kunnen zeggen het hele leven kan omvatten.Maar er zijn ook kleinere dingen in het leven en alles heeft zin, betekenis.

Dat zinvolle denken wordt verder ontwikkeld in deze vorm van meditatie, en wanneer je die beoefent, dan beoefen je een denken dat juist helemaal niet met de zintuigen verbonden is en dat ook niet in zichzelf wegdroomt, het is een geconcentreerde manier van zinvol denken. Wanneer je dat beoefent en je gaat dan later mindfulness doen, dan merk je toch heel duidelijk dat je dan eigenlijk niet gewezen wordt op die vorm van denken die de zin aan de dingen, de processen en het bestaan, de ontmoetingen enzovoort, verleent.

En dan komt natuurlijk de vraag: wat is hier nu eigenlijk gebeurd? Want het is niet zo dat, wanneer je een concentratie toepast op de ademhaling, of op een andere lichaams functie, of op een waarneming in de buitenwereld, en je ontwikkelt je daardoor in geduld en vertrouwen, in een veel grotere en rustiger aanwezigheid dan je van nature had, dat je dan niet meer weet dat je de zin van de dingen ziet. Dat is niet de vraag bij mindfulness, dat je je zo ontwikkelt, dat je de zin, de betekenis van de dingen kwijt raakt.

Dan is de vraag: wat is nu eigenlijk precies dan het denkende aspect in de mindfulness? Als je afziet van het hebben van gedachten?

Je moet je dan voorstellen dat je waarneemt. Je hebt je volle aandacht in de waarneming en je laat je niet door verzonkenheid in gedachten daarvan afleiden. Maar je kunt niet zeggen dat je waarnemingen hebt die niets te betekenen hebben.

Wanneer u dit prachtige boeket hier bekijkt, dan ziet u daar een aantal bekende bloemen. Die kun je aandachtig waarnemen en hoe aandachtiger je dat kunt, hoe meer ze aan wezenlijkheid winnen.

Maar het betekent niet dat je dan niet meer ook toch ergens weet, dat je een roos of lelie waarneemt. En daar ligt de verwarring in de betekenis van het denken.

Doordat je niet gewend bent om, als mens in onze cultuur, te letten op jezelf, terwijl je in het leven staat, maar er gewoon op los leeft, heb je ook niet leren kennen dat een waarneming op zich niet vanuit het zintuig al de zin in zich draagt.

Dan wordt het altijd ingewikkeld als ik zo ga praten maar het is natuurlijk eigenlijk altijd toch heel eenvoudig. Wanneer we hier zo met elkaar zijn, dan hebben we zo onze zintuigwaarnemingen, we kijken en we horen, we voelen en het lichaam heeft een bepaalde houding en je voelt je spierspanning. Het lijkt alsof in die waarneming met de zintuigen ook tegelijkertijd de betekenis zit. Je kijkt naar de roos en je ziet dat het een roos is, denk je... Je meent, wanneer je naar de roos kijkt, ook meteen vanuit je oog te weten dat het een roos is. Dat die, dat zij roze is. Zoals ik deze roos zie. Daar ligt de verwarring. Daar ligt dan eigenlijk ook de aanwijzing, dat wanneer je die kant van het bestaan dan toch nog blijft verslapen, terwijl je in feite dan wakker bent geworden voor de omgeving, in mindfulness, in gewetensvolle aandachtigheid, niet oordelend, geduldig, enzovoort ... dat je toch de helft van het bestaan alsnog verslaapt. Natuurlijk: je weet wat je waarneemt. Maar je weet niet dat je, terwijl je met je lichaamszintuigen waarneemt, je een denkproces verlopend daarin hebt, iets, wat veel meer met jouw eigen activiteit te doen heeft dan met de zintuigwaarneming op zich.

Wanneer je de ontwikkeling van de mensheid echt kunt zien als een ontwikkeling en niet dat het zo is, dat zoals we nu zijn, we zo als mensen altijd zijn geweest en altijd zo hebben waargenomen en altijd zo hebben gedacht; als je de ontwikkeling ziet als ontwikkeling, dan kun je je voorstellen, dat er mogelijk lang geleden een tijd is geweest waarin de mens echt de betekenis van buiten aangereikt kreeg. En dat loopt in onze tijd dan misschien nog door ... dat we niet bemerken, dat je ook kunt waarnemen zonder dat je daar de zin, de betekenis in hebt. En eigenlijk zouden we dat zondermeer wel moeten weten, want wanneer je in die toestand verkeert, waarin je in gedachten verzonken bent, waardoor je niet in het nu bent, dan kun je wel degelijk met open ogen en oren rondlopen en gaan zitten en allerlei dingen doen - en absoluut niet weten wat je hebt gezien, waar je was, wat je hebt vastgehad enzovoort. Dus we kennen dat heus wel, de zintuigwaarneming waarin we de zin verslapen.

Maar dit wat ik hier bespreek moet je nog als veel meer elementair opvatten, dit is werkelijk zo dat je, wanneer je geen denken zou hebben, dan zou het zintuig jou geen zin verlenen. Geen betekenis. En dat dat zo is, dat is door oefening bewust te maken en je zou zeggen: Waarom zou ik dat nu gaan doen?

Dat kan ik misschien in het verloop van mijn betoog nog duidelijk maken, waarom je dat zou gaan doen. Het is door oefening in het bewustzijn te brengen, en daarmee dan voor degene die het doet in elk geval bewezen - dat je er dan geen verhandeling over kunt schrijven of niet op kunt promoveren dat is nog wat anders, maar je kunt het dan wel voor jezelf erkennen - dat we als mens in het bewustzijnsproces waarbij we in de werkelijkheid, erin willen zijn, dat we altijd vanuit twee werelden ons ‘erin-zijn’ verkrijgen. Aan de ene kant door de lichtwereld van de zintuigen en aan de andere kant door de wereld van het denken, dat ook een lichtaspect heeft.

Wanneer je dat zou willen oefenen, dan zou je het gedachteleven dat je in de waarneming hebt, als het ware eruit willen lichten, zodat je zou zien waar je zintuiglijke waarneming zich bevindt en waar het denkproces, dat daarin verloopt. Ik heb mij het volgende voorgesteld: stel je doet een meditatie of je wilt een meditatie gaan doen, en je zit op een stoel in de kamer. Daar staat nog een andere stoel. - Toen ik dit zo bedacht, stond daar waar ik zat tegenover me een antieke stoel met sierlijke pootjes en een gecapitonneerde rugleuning, met een stof bekleed die het midden houdt tussen katoen en linnen. Dan zeg je tot jezelf: ja dat weet je dus allemaal hè? Je kijkt naar die stoel - en gewoonlijk - hij staat er altijd, - staat hij er, leg je daar misschien allemaal spullen op, of je gaat erop zitten, of het bezoek komt en gaat daarop zitten - dus die stoel heeft een functie, maar verder denk je er niet over. Je weet wel dat het die stoel is en als er een andere zou staan, als je die kamer binnen zou komen, dan zou je dat onmiddellijk opvallen.

Maar nu ga je dat op een andere manier bekijken. Je bekijkt die stoel veel grondiger dan je dat gewoon bent. En je ziet dan met de volle aandacht, met het volle bewustzijn, het type van de stoel, het soort stoel. De sierlijke pootjes. De leuningen met van die houten knopjes aan de voorkant, de stof die erop zit en de manier waarop die stof over die stoel bevestigd is.

Dat kun je, wanneer je dan je ogen sluit, nog eens een keer opnieuw de revue laten passeren en wanneer je dat doet, dan merk je dat je voortdurend in de voorstellingen, die dan afgeleiden zijn van de zintuiglijke waarneming, de kennende gedachten erin hebt, en je beleeft dan: dat maakt wel mede de waarde uit van deze stoel, voor mij. Het is niet zo dat ik alleen maar blind waarneem, ik heb ook een veelvormig weten. Dan heb ik het nu over een stoel - en nu kom ik een mens tegen. En ik wil met die mens op een gewetensvolle aandachtige manier in contact komen.

Het is op zich al iets heel bijzonders dat, als je een bekende mens tegen komt, je ook ziet dat hij dat is. Daar staan we helemaal nooit bij stil, maar hoe, waar komt dat door? Dat heeft met het denken te maken. Zo kun je beleven dat wanneer je als mens een meditatieve verdieping toepast van de waarneming met de zintuigen, je dan eigenlijk in een eenzijdigheid terecht komt, wanneer je niet ook versterkt bewust wordt dat in die waarneming het denken de zingever is.

En als je ertoe zou kunnen komen om dat zingevende denken werkelijk met alle grootsheid die het heeft afzonderlijk gewaar te worden, dan zou je pas echt weten: hier ben ik in een wereld die ik altijd bij me heb wanneer ik wakker ben. Die ik net zo bij me heb als de lichamelijke zintuigen, maar die consequent genegeerd wordt, vergeten wordt. De zintuigwaarneming zou je niet negeren. Al ben je nog zo diep in gedachten verzonken, er zal altijd weer een moment komen dat je wakker wordt en ziet, hoort enzovoort.

Maar het daarin verlopende denken kun je tot aan je dood verslapen en dat betekent in feite, hoewel je het wel gebruikt maar niet bewust bent, dat je de helft van de wereld mist.

Lees het tweede deel ...

1 De tekst werd door een schrijftolk mee-getypt, Margot de Vreede, die was mee gekomen met een slechthorende bezoekster.

Stern