Wezen en toekomst van de mens in de fresco’s van het klooster Marienberg - Deel 1

19-03-2018 Artikel van Kurt Hofer

Op de met bossen begroeide berghelling boven Burgeis in Zuid-Tirol troont op een voetstuk van rotsen, als een burcht, het benedictijner klooster Marienberg. Het hart van dit in het midden van de 12de eeuw gestichte klooster zijn fresco’s van een onbekende schilder uit de tijd van de stichting. De schilderingen, in de 19de en 20ste eeuw aan muren en plafonds blootgelegd, ontvangen de bezoeker in stralende kleuren. Zelfs de kleinste details in rangschikking en weergave van de cyclus der fresco’s getuigen daarbij van klaarblijkelijk inwijdingsweten bij hun naamloze schepper van de geestelijke wereld.

Het bezoek aan het klooster tijdens de afgelopen zomervakantie liet bij mij een blijvende indruk achter. Tot op heden doen de fresco’s mij huiveren van eerbied. In de nacht na het bezoek aan het klooster werd ik plotseling wakker uit de slaap en had ik de krachtige ingeving dat de geestelijke achtergronden van de afbeeldingen in de crypte van het klooster in directe betrekking staan tot ervaringen en inzichten op de moderne scholingsweg tot het verkrijgen van het levende denken – en dus met onze tegenwoordige opdracht.

Ik zou in het volgende fragmentarisch enkele observaties, vermoedens en inzichten willen beschrijven die mij door de schilderingen in verbinding met de scholingsweg – ten dele teweeg gebracht, bevestigd of bekrachtigd door het kleine boekje van Mechthild Clauss (2007)3, aan wie ik mijn dank uitspreek – deelachtig werden. De in mijn tekst ingevoegde citaten stammen zonder nadere aanduiding uit het boek “Uit hemelhoogten – De Engel-Hiërarchieën en de mens” van Mieke Mosmuller, 2016.

De apsis met de Heerser over hemel en aarde

“Je moet de feiten in de geestelijke wereld zelf waarneembaar maken.” (M.M. blz. 13)

Het altaar van de apsis, volgens het katholieke geloof de plaats van directe goddelijke tegenwoordigheid, wordt overwelfd door het beeld van de grote Wereldheerser. De voeten op de aardeboog steunend zit Hij majestueus op de in twaalven gedeelde hemelboog. Van daar blikt Hij omlaag, de rechter hand ten zegen geheven, in de linker het geopende boek tonend. Zijn gewaad is roodbruinachtig, de achtergrond, die van de aardeboog tot ver boven de hemelboog reikt, is in matgroen gehouden. Hoofd, rechter hand en voeten gaan over het groen heen een schijnbaar oneindig diep blauw in. Het beeld wordt omsloten door een amandelvormige lichtomhulling (mandorla) in de kleuren rood, geeloranje en wit.

“Wanneer je iets zuiver geestelijks denkt, met alle kracht, zonder vermenging met zintuiglijke indrukken, dan ben je ook werkelijk in en bij dat wat je zo denkt. In de middeleeuwen was dat een vanzelfsprekendheid.” (M.M., blz. 14)

Het apsisfresco boven het altaar wil de beschouwer klaarblijkelijk naar het bewustzijn leiden dat de grote Heerser over de kosmos zich geïncarneerd heeft en hemel en aarde verbindt. In bewonderenswaardige eenvoud en helderheid maakt het de geestelijke ruimte zichtbaar, die voor de gelovige in de eucharistische handeling aan het altaar geopend moet worden. Aards denken, voelen en willen, dat zich met Hem in zijn niet te vatten glorie verbindt, heeft deel aan de hemel.

Pantokrator
Afbeelding 1: De Pantokrator tussen hemel en aarde.

De hemelse ordening voor het aangezicht van de Heer

“Wanneer je je kunt verheffen tot het levende vrije denken, wanneer je die stap zet, zou je mogen verwachten dat je op den duur in de omgeving van de geestelijke mens die je bent, de Hiërarchieën vindt.” (M.M., blz. 12)

Vier engelgestalten en twee mensen omringen de Wereldheerser samen met afbeeldingen van de evangelisten. Spiegelbeeldig- symmetrisch om de mandorla geordend verschijnen zij in hun verschillende graden van macht. Bovenaan en de Heer het meest nabijkomend zijn er twee zesvleugelige serafim. Hun bovenste vleugels zijn als vlammentongen naar boven gericht. Lager staand en kleiner van gestalte staan twee angeloi, de twee mensen schuin onder hen met een van hun vleugels beschermend. Sleutels doen de ene van beide mensengestalten als de apostel Petrus kennen, het boek van het Woord Gods de andere gestalte als Paulus.

Op aardschotsen staand reiken Petrus en Paulus door de kosmische sferen heen tot aan de lichtrand van de mandorla. Een dikke lichtbruine band verbindt daarbij hoofd en hart van beiden in verschillend wijde bogen met de geestelijke wereld om hen heen. Weliswaar verhinderen de vleugels van de angeloi boven hun hoofd de aanblik van de goddelijke heerlijkheid. Deze blijft klaarblijkelijk aan de engelwezens en de evangelisten voorbehouden.
Boven de mens, zo verklaart de voorstelling, staat de gehele Engelhiërarchie, die van de angeloi tot de serafi m reikt. Met zijn geest reikt de mens tot helemaal boven in de geestelijke wereld en zijn hart omvat de gehele werkelijkheid. Nog is echter de verbinding met de geestelijke wereld met Christus in het centrum niet zuiver en de aanblik daarvan blijft hem onder de bescherming van de angeloi ontzegd. De geheimzinnige witte banden in de hand van beide angeloi wijzen er reeds op dat dit in de toekomst niet zo zal blijven.

De geheimzinnige witte banden

De twee angeloi reiken de apostelvorsten in een uitnodigend gebaar smalle witte banden aan, die aan uitgerolde boekrollen doen denken. In luchtig golvende vorm reiken deze over de genoemde lichtbruine ‘geestesband’, het hemelsblauw en het groen omlaag tot het aardebruin. Het stralende wit van de banden vindt daarbij een overeenstemming met het stralende wit van het opengeslagen boek in de hand van Christus, en ook met het gesloten boek van Paulus en met de vleugels van de angeloi.

Petrus
Afbeelding 2: Petrus met de witte band in de hand van een angelos. 

Naar welk geestelijk feit verwijzen de witte banden in de handen van de angeloi? Clauss (2007, blz. 27) spreekt van schriftbanden, benadrukt echter dat deze onbeschreven zijn en interpreteert dit op de volgende wijze: “Klaarblijkelijk gaat de inhoud van de banden ver uit boven de uitdrukkingskracht van het mensenschrift. De richting van de banden van boven naar beneden spreekt evenwel duidelijke taal: deze wijst op de boodschap uit de hemel die naar de aarde wordt gezonden.”

Als moderne mens op de scholingsweg lijkt het mij duidelijk dat de witte banden voor het zuivere levende denken staan, dat hemel- en aarderijken in de zelfde mate doordringt. Nog had de mens het van de engelen niet aangenomen, maar in de toekomst zou dit mogelijk zijn en uiteindelijk de engelmensen in het hemelse Jeruzalem verbinden (zie verder hieronder).

De mens als toekomstige tiende Hiërarchie

“Het feit dat je voor je gevoel niet hoger kunt kijken dan de sterrenhemel wil niet zeggen dat je ze [de cherubim en serafi m; KH] in de geest niet zou kunnen zien. Daar liggen de grenzen niet zoals ze voor het uiterlijke oog liggen.” (M.M., blz. 64)

In het middelste draaggewelf van de crypte is in het zenit een wit oog te zien, omgeven door een bladervormige wolkenkrans en daar omheen voorstellingen van engelwezens van verschillende hiërarchieën. Voor Clauss (2007, blz. 32) staat deze scenerie plaatsvervangend voor de onzichtbare Vadergod in de oergrond van de schepping: “De Vader is onzichtbaar. Zichtbaar geworden is Hij in de Zoon. In de engelen doorweeft Hij de schepping, die onophoudelijk van Hem getuigt.” Op de achtergrond van de engelen bevindt zich blauwe hemel, bezaaid met stralend witte sterren of kleine zonnen. Achter sommige engelwezens bevinden zich bovendien grootvlakkige groene driehoeken, die eveneens sterren dragen.

Allereerst zijn er twaalf engelgestalten, steeds drie in elk van de vier gewelfplafonds. In de top van het gewelf van het westelijke plafond is echter, kleiner van gestalte, een in het wit geklede dertiende engel zichtbaar. Deze schijnt als het ware uit de centrale wolkenkrans te groeien. Zijn hoofd in verering naar de Wereldheerser boven de apsis geneigd lijkt hij deze in oneindige overgave liefl ijk te aanbidden. Direct onder hem staat een aartsengel, die als Michael herkenbaar is. Over het gehele westelijke gewelfplafond verdeeld bevinden zich kleine zonnen; twee engelen dragen “bloeiende” kruisstaven in de hand.

WeisseEngel
Afbeelding 3: De kleine witte engel onder begeleiding van Michael.

“In het westen gaat de zon onder, en waar de nacht begint, moet een nieuw licht opgaan.” (M.M., blz. 88)

Het toekomstgebeuren wat hier is weergegeven is in ontroerende kracht nauwelijks te overtreff en. Door de kracht van Christus verhoogd groeit uit het midden van de schepping onder begeleiding van Michael een nieuwe engel – de toekomstige mens. Het heilige twaalftal der engelen op dertien brengend vormt hij de tiende hiërarchie. In tegenstelling tot Paulus en Petrus is het hem geschonken vanuit zijn verheven plaats Christus te aanschouwen.

Clauss (2007, blz. 42) geeft op het gebeuren de volgende toelichting: “Niet de hemelse bruiloft moet weergegeven worden, maar de weg die naar zulk een bruiloft leidt. Van het altaar gaat deze weg uit – van off erdaad en opstanding van de Zoon Gods. En het middenfresco toont: Hij komt! De wederkomst van de Heer doet de kruisstaven ontbloeien en vormt de sterren tot zonnen. Hij die wederkomt maakt alles nieuw.”

Het tweede deel van het artikel “Wezen en toekomst van de mens in de fresco’s van het klooster Marienberg” verschijnt in het volgende nummer.

Vertaald door Hannie Saleh

Naar het tweede deel ...

3 Mechtild Clauss (2007): Menschenweg und Engelwelt. Die Kryptenfresken von Kloster Marienberg. St. Ottilien: EOS Verlag.