De Godsvrienden uit het Oberland

13-02-2016 Artikel van Jos Mosmuller
De Godsvrienden uit het Oberland

In 1317 werd er in Basel een jongen geboren als zoon van een rijke koopman. Het was de tijd waarin paus Clemens V door de koning van Frankrijk, Philips IV, overgehaald werd om Rome te verlaten en de Heilige Stoel in de Zuid Franse stad Avignon te vestigen. Door de invloed van de Franse koning besloot de paus de hooggeestelijke en rijke Tempelorde op te heffen. De wereldlijke macht van de Franse staat kreeg macht over het middeleeuwse Christendom. Dit zou leiden tot een grote crisis in de kerk en verwarring onder de gelovige christenen.

De jonge koopmanszoon was vanaf zijn vroegste jeugd bevriend met de zoon van een ridder. De ridder oefende zijn zoon in de wapenen, het zwaardvechten en het steekspel. De zoon van de koopman trok met zijn vader mee naar vreemde landen om rijke goederen te kopen. De oude koopman en zijn vrouw stierven vroegtijdig en met 19 jaar erfde de zoon als enig kind een groot vermogen, het was zo groot dat hij niet wist wat hij ermee doen moest.
Zijn jonge riddervriend haalde hem over om zijn beroep als koopman op te geven en met hem mee te trekken naar toernooien en adellijke feesten. De beide vrienden hielden van de edele vrouwen met wie ze veel tijd doorbrachten aan bronnen en in tuinen van prachtige kastelen. Ze keken niet op de kosten en hadden zo een mooi en aangenaam leven.

Twee mooie edele jonkvrouwen werden verliefd op de jongemannen en ze verloren hun harten aan elkaar. De koopman, die niet van adel was, moest de ridder vragen om bij de adellijke familie de hand van het meisje te vragen. Voor niet adellijken was het moeilijk om toestemming voor een huwelijk met een adellijke te verkrijgen. Na lange tijd werd toegestemd, maar hij moest huwelijks- belasting betalen om zijn Margaretha te verkrijgen. Daarop werd de huwelijksdag vastgesteld. Op de vooravond van het huwelijk sprak de jongeling zoals iedere avond zijn gebed voor het kruisbeeld, maar deze avond neigde de gestalte aan het kruis zich naar hem toe en sprak met een lieflijke stem tot hem: ‘Sta op, laat de wereld, neem je kruis op je en volg mij.’ Nadat dit tot hem gesproken was vergat hij vanaf dat moment zijn geliefde jonkvrouw en de hele wereld. Toen daarop de aanstaande bruiloft door hem werd afgezegd vroeg de jonkvrouw hem huilend: ’Mijn geliefde, heb ik je iets gedaan dat je me verlaten wilt?’. Hij begon ook te huilen en antwoordde: ‘Nee mijn geliefde, maar ik heb me gegeven aan een vrouw die nog edeler en rijker is dan jij en dat is de moeder Gods’. Daarop zei ze: ‘Als dat zo is, wil ik toch niet van je scheiden. Als jij de moeder Gods gekozen hebt, dan wil ik haar zoon nemen.’ En ze gaf hem haar sieraden en deed ook afstand van de wereld. Hij gaf haar daarop raad hoe zij haar innerlijke weg kon gaan.

Hij trok zich nu terug in een afgelegen deel van de stad Basel, omdat hij in de rijke buurt waar hij woonde door de mensen en ook door zijn ridder-vriend bespot en gehoond werd. Hij vertrok niet voor zichzelf, maar hij trok zich terug om de mensen niet te laten spotten en hij kreeg in de eenzaamheid wonderlijke verschijningen. In korte tijd kreeg hij de genade om de heilige Schrift als een geleerde te begrijpen. Hij gaf veel van zijn rijkdom weg aan de armen en maakte een volledige christelijke inwijding door. Deze omwenteling in zijn leven vond plaats rond 1343, toen hij 26 jaar oud was. Vanaf die tijd werd hij 'de Godsvriend' genoemd.

TaulerNu leefde in diezelfde tijd in Straatsburg in de Elzas, een stad die twee dagreizen van de stad Basel verwijderd lag, een Dominicaner monnik in het Dominicaner klooster in de stad. Deze monnik stond bekend om zijn wekelijkse preken in de kathedraal van Straatsburg, waarnaar veel mensen kwamen luisteren. Hij deed ook innerlijk mystieke oefeningen. Op een dag hoorde de Godsvriend in Basel een innerlijke stem die hem opriep naar Straatsburg te gaan en daar de kathedraal te bezoeken. Zo ging hij naar Straatsburg, ging de kathedraal binnen en hoorde daar de dominicaner monnik preken voor een volle kerk. Deze monnik heette Johannes Tauler (zie afbeelding).

De Godsvriend kwam vele malen naar de kathedraal om de preken te horen. Toen besloot hij om bij de monnik te gaan biechten. In de biechtstoel vroeg hij hem wat hij zelf van zijn preken vond. 'Hoezo?' vroeg Johannes Tauler. 'Uw preken zeggen mij niets, ik beleef er niets aan.’ zei de Godsvriend. Tauler antwoordde hem: ’Wat wilt u als leek oordelen geven over religieuze zaken?' ‘Uw preken laten me koud, ze doen mij niets, er zit geen vuur in, ze zijn zonder geest.’ sprak de Godsvriend weer. Tauler was aanvankelijk verontwaardigd, maar wilde toen toch meer van deze leek weten, omdat hij in het gesprek een grote diepgang bij de leek bemerkte. In het verloop van het gesprek vroeg hij hem om raad, wat hij dan toch zou kunnen veranderen in zijn preken. De Godsvriend gaf hem innerlijk oefeningen op en het advies een jaar lang niet meer te preken en zich in het klooster terug te trekken. Hij zou over een jaar terugkomen en bij zijn eerste nieuwe preek erbij zijn.

Kathedrale
Kathedraal van Straatsburg

Er ging een jaar voorbij en de tijd brak aan, waarop de Dominicaner monnik weer zou preken. De kathedraal van Straatsburg was geheel gevuld met gelovigen, de Godsvriend zat tussen de mensen. Tauler besteeg de kansel en wilde beginnen te spreken, maar hij bleef stom, hij kon geen woord uitbrengen. Iedereen was verontwaardigd, de Dominicaner monniken nog het meest. De abt verbood hem om nog ooit openbaar te preken, omdat hij bang was dat het klooster in de stad een slechte naam zou krijgen. Tauler was totaal verslagen. De Godsvriend ging naar hem toe en troostte hem. Hij raadde hem aan om de abt te vragen om nogeenkeer in de kloosterkapel alleen voor de monniken te mogen preken. Hier zou het wel lukken, zei de Godsvriend. Tauler kreeg toestemming van zijn abt en preekte in de kloosterkapel zoals hij nog nooit gepreekt had. Vol vuur, vervuld van geest waren zijn woorden. De monniken prezen hem zeer en waren helemaal gewonnen. Vanaf toen sprak Tauler op een geheel nieuwe wijze in de kathedraal. De mensen bekeerden zich tot het geloof, door zijn woorden.De Godsvriend reisde terug naar Basel, maar bleef in geregeld briefcontact met Tauler, waarin ze veel uitwisselden.

MerswinNa enige tijd kwam er nog een andere innerlijke oproep tot de Godsvriend in Basel. Hij moest opnieuw naar Straatsburg gaan. Hij sprak het Elzasische dialect goed genoeg om met de mensen te kunnen spreken. Hij werd geroepen naar een rijke koopman uit een rijk patriciërs geslacht in Straatsburg, hij heette Rulman Merswin (zie afbeelding). Deze man beleefde zijn tijd als zo bedrukkend, dat hij in 1347 besloot zich aan een innerlijk leven te wijden om zijn zondig leven te beteren. Hij werd hierdoor diep ingewijd, maar kon er met niemand over praten en raakte uiteindelijk geheel vertwijfeld. Deze innerlijke nood ontving de Godsvriend als innerlijke oproep om naar Straatsburg te gaan. Hij ontmoette hem en wisselde innerlijke ervaringen met hem uit en kon al zijn vragen beantwoorden, wat Rulman geruststelde. Hij wist nu dat hij op de goede weg was. De mannen bleven hierna steeds in briefcontact. Rulman Merswin gaf heel zijn vermogen om het oude klooster ‘Am Grünen Wörth’ aan de Rijn in Straatsburg te kopen, om zijn grote wens te realiseren een lekenklooster te stichten, samen met de broeders van de Johanniter Orde.

In de jaren 1346-1350 brak er een pestepidemie uit in Basel en in 1356 volgde een aardbeving, waarna de Godsvriend een vermaning aan de bevolking richtte dat ze hun leven moesten beteren.

Langzaamaan kwam de gedachte bij hem op om een geheime broederschap van Godsvrienden op te richten, waarin een leven gezocht werd van gewijdheid aan God, boete en ontzegging.
De Godsvriend verzamelde vier mannen om zich heen: de ridder, een kanunnik, nog een andere ridder en een bekeerde joodse man met de doopnaam Johannes. Dan was er nog een kok Koenraad en een bode Ruprecht. In het vijf-mannen-boek beschrijft de Godsvriend de ervaringen van deze groep. Na een aanvankelijke poging om zich bij een geestelijke orde aan te sluiten, besloten de vijf mannen, moe van de wereld, zich in het jaar 1374 in de eenzaamheid van de bergen terug te trekken. Ze bouwden een huis en een Mariakapel op de Brüder Alp aan de Schimberg, die deel uitmaakt van de Pilatusketen. Hier leefden ze als vrije gemeenschap met elkaar. Iedere dag werd door de priesters onder hen de heilige mis gelezen, er werd gevast, gesproken over het tijdgebeuren, innerlijk geoefend, gewandeld en de natuur aanschouwd en er werd hout bewerkt. Er gingen geheime boodschappen naar het Klooster ‘Am grünen Wörth’, naar Rulman Merswin, in Straatsburg. Rulman stuurde boodschappen terug en informeerde de vijf mannen over de tijdgebeurtenissen.

In de christenheid speelde zich intussen belangrijke gebeurtenissen af.

De Dominicanes Catharina van Siena reisde in 1376 naar paus Gregorius de XI in Avignon om hem over te halen weer naar Rome terug te keren. Op haar aandringen verplaatste de paus de Heilige Stoel, nadat die 71 jaar in Avignon had gestaan, weer naar Rome. Hierop trok de Godsvriend in 1377 onder begeleiding van zijn vriend de kanunnik naar paus Gregorius XI in Rome en zij werden daar in audiëntie ontvangen. De Godsvriend sprak met hem over de gebreken van de kerk, dat die hoognodig verbeterd moesten worden. Hij sprak stoutmoedig tegen hem en werkte sterk op zijn gemoed. Maar de paus zei dat hij niets aan de situatie kon veranderen. Hierop wees de Godsvriend op de gebreken van de paus zelf. Als hij die niet zou beginnen te verbeteren, zou zijn leven in datzelfde jaar aan een eind komen. Aanvankelijk was de paus verontwaardigd, maar hij bemerkte wel de zuiverheid en deugdzaamheid van deze leek en nodigde de Godsvriend en de kanunnik uit om bij hem aan het pauselijke hof te blijven om hem bij te staan. De vrienden namen de uitnodiging niet aan en keerden terug naar de Brüder Alp op de Pilatusberg.

CatharinaSiena
Catharina van Siena

In 1378, precies een jaar na hun bezoek, stierf paus Gregorius XI. Paus Urbanus VI volgde hem op. Maar tegelijkertijd werd in Avignon een tegenpaus uitgeroepen, paus Clemens VII. Het Westers schisma was hiermee een feit. De gelovige Christenen wisten niet meer aan wie ze zich moesten houden.De Godsvriend werd geregeld om raad gevraagd welke paus men volgen moest. Hij verwachtte nu dat er een grote ramp over de christenheid komen zou.

Zeven grote Godsvrienden besloten op St. Gertrudisdag, 17 maart 1379, voor overleg bijeen te komen op een hoge berg in midden Zwitserland. Op die plek was een kleine Mariakapel in de rotsen uitgehouwen en er lag een klein klooster, waar drie monniken woonden. Daar baden ze met grote ernst tot de godheid en vroegen om raad voor het grote wereldonweer, waarvan ze verwachtten dat het op komst was. Ze baden dag en nacht om uitstel van de komende ramp, tot aan de Mariadag. Toen ze op Mariadag bij een bron in het bos bij elkaar zaten, kwam er een grote windvlaag en viel er een diepe duisternis. De machten en krachten van de duisternis woedden een uur lang. Nadat ze dat in gelatenheid hadden ondergaan brak er een lieflijk licht door de duisternis, sterker dan de zon en klonk er een heldere stem. Een Engel sprak als bode van de Godheid dat hun gebed verhoord was en dat het wereldonweer ongeveer een jaar opgeschoven zou worden, maar dat ze na dat jaar niet meer zouden moeten vragen en dat God de Vader dan zelf zou beslissen of het onweer nodig was om de mensheid tot bezinning te brengen.

Nog binnen een jaar kwamen de Godsvrienden op witte donderdag voor Pasen 1380 op dezelfde plek in de bergen bij elkaar. Nu kwamen ze niet door onderlinge afspraak, maar door een innerlijke stem geroepen naar de plek in het hooggebergte. Rulman Merswin, de Godsvriend en zijn vier vrienden waren er, maar ook waren er Godsvrienden uit Milaan, Hongarije en Genua op innerlijke roep gekomen. Zo kwamen in totaal 13 Godsvrienden bij de kleine Mariakapel bij elkaar. Op goede vrijdag werd de heilige mis gevierd, daarna kwamen ze bij de bron in het bos bij elkaar. Weer kwamen de machten van de duisternis met grote kracht opzetten. Deze keer bleven de vrienden niet gelaten afwachten. Ze hadden afgesproken om de tegenmachten te bezweren en te verjagen. Dit lukte ook. Toen straalde er opnieuw een groot helder licht en een Engel sprak, dat hij gestuurd was door de grote allerhoogste koningin van het hemelrijk, het aarderijk en van alle schepselen. De Engel gaf de Godsvrienden een brief die ze moesten lezen. Als ze de aanwijzingen die daarin stonden zouden opvolgen, zou het grote onweer dat over de gehele mensheid zou uitbreken 3-4 jaar uitgesteld worden. De brief, zei de engel, is in alle talen te lezen. Als de Godsvrienden dat wat in de brief stond wilden opvolgen, moesten ze de brief na drie dagen in een vuur verbranden. De brief zou dan ten hemel opstijgen.
De mededeling in de brief bevatte een bijzondere scholing. Ieder van de 13 Godsvrienden moest zich terugtrekken in een cel, zich van de buitenwereld afsluiten en alle banden met de uiterlijke wereld verbreken. Een stemming van verwachting moest ieder van hen vervullen. Dit moest drie jaren worden uitgehouden, daarna kregen ze dan innerlijk bericht hoe het verder moest gaan.

Na drie dagen, op paaszondag kwam de Engel terug en vroeg hen naar hun besluit. Alle 13 Godsvrienden beloofden met hun gehele hart God de Vader gehoorzaam te willen zijn, niet slechts drie jaar maar de rest van hun leven de gevangene van de Godheid te willen zijn. De brief werd in het vuur geworpen, steeg omhoog en ging pas hoog in de lucht in vlammen op.

Op paasmaandag namen de Godsvrienden afscheid van elkaar. De Godsvriend nam afscheid van Rulman Merswin. Ze zouden elkaar niet meer zien en niets meer van elkaar horen. Op Pinksteren 1380 trokken alle Godsvrienden zich in kluizen terug. Twee jaar later stierf Rulman Merswin in het klooster 'Am grünen Wörth’ in Straatsburg. De Johanniter Orde-broeders uit het klooster ‘Am grünen Wörth gingen hierna op zoek naar de Godsvriend, maar vonden hem niet.

In 1420 vond Margaretha von Kenzingen de weg naar de kluis van de Godsvriend in he