De waardigheid van de mens

05-11-2017 Artikel van Mieke Mosmuller
De waardigheid van de mens

Wie de situatie in de wereld probeert te overzien - al zijn de gegevens om tot zo’n overzien te komen absoluut ontoereikend - zal in elk geval een indruk krijgen dat er met de mensheid iets ernstigs aan de hand is.

Er wordt veel gesproken over klimaatverandering en milieu. Maar de veranderingen die in de mensheid gaande zijn, blijven grotendeels onbesproken.

Eens erkende de denkende mens een ‘prima philosophia’. Dat betekende dat er een rotsvast vertrouwen bestond in de menselijke mogelijkheid om waarheid vast te stellen – niet in alle dingen en feiten weliswaar, maar wel als een principiële aanleg.

De evolutietheorie ging daar in feite ook nog van uit, hetgeen blijkt uit de naam voor de mens: homo sapiens, wetende (of zelfs wijze) mens. Een fase daarboven is dan de homo sapiens sapiens, dat is de mens die wetend van het weten is: de zelfbewuste mens.

Het ligt in de verwachting dat de ontwikkeling daar niet stopt, je zou willen doordenken naar een verdere verfjning van de homo sapiens sapiens.

Nu is het juist dat wat de huidige ontwikkeling lijkt tegen te spreken. Geen verfjning treedt in, maar een ware terugval lijkt ons te bedreigen. Het ziet ernaar uit dat het mensenras degenereert en decadent wordt.

Misschien ziet niet iedereen dat zo. Mogelijk vinden mensen de staat waarin we verkeren prima. Maar er zijn toch ook veel stemmen hoorbaar die bezorgde woorden spreken.

In de 19e en 20e eeuw werd met de prima philosophia afgerekend. De waarheid bestaat in feite niet, ze is een grootheid die hooguit gezien kan worden als iets dat enigszins benaderd kan worden door wetenschap en communicatie. Evidence based is de wetenschap, en haar waarheid geldt tot aan de falsifcatie - d.w.z. tot het tegendeel kan worden bewezen. Voor het overige geldt: hoe meer mensen iets erkennen, des te groter de kans dat het ook zo is.

Mieke_Mosmuller_2013_1

Mieke Mosmuller in 2013

Daartegenover staan de machtsgroepen die niet nastreven dat de mens zich verder ontwikkelt, maar die op de een of andere manier trachten de mens(heid) in de hand te krijgen.

Wat wil ik nu eigenlijk zeggen? De flosofe die ervan uit ging dat ‘waarheid’ binnen het bereik van het menselijke denken ligt, is door de moderne flosofe ontkracht. De moderne aanschouwing van de mens en van zijn kenvermogen ziet ‘waarheid’ als een fenomeen, dat door vele factoren wordt bepaald, waardoor zij zich niet laat vatten, zeker niet door een menselijke denker in eenzaamheid. Waarheden zijn benaderbare, ongrijpbare, voorbijgaande denkbeelden, mede bepaald door het paradigma van de tijd.

Wat eerst een flosofsche vaststelling was, waarvan de mens in het leven van alledag geen besef hoeft te hebben, wordt meer en meer iets wat ‘waar gemaakt wordt’. Ik meen niet hiermee een complottheorie te onthullen. Ik beschouw de feiten. Had men eerst de opvatting dat waarheid niet bestaat, inmiddels wordt deze opvatting wereldwijd ‘waar gemaakt’.

In welk opzicht? Tot nu toe hebben bijvoorbeeld de leiders in de politiek nog altijd voorgewend, in de waarheid te zijn en waarachtig beleid te voeren. In onze tijd treedt een volkomen nieuw fenomeen op: openlijke onwaarachtigheid zonder pogingen om dit te verhullen.

Het woord ‘schaamteloos’ lijkt hier op zijn plaats. Je zou ook paradoxaal kunnen spreken: de onwaarachtigheid wordt met waarachtigheid getoond. Daarmee wordt met feiten bewezen dat de waarheid niet bestaat: wanneer je waarachtig onwaarachtig bent is er geen waarheid en blijft over een schaamteloze frivoliteit.

De ‘gewone’ mens ziet dit echt wel, maar staat er machteloos tegenover. En intussen treedt al snel gewoontevorming op: we raken gewend aan deze nieuwe mensensoort en nemen er het nodige van over en op.

Intussen worden we vol gegoten met informatie, in een tempo dat ons beoordelende denken niet kan bijhouden. Links en rechts worden schokkende klappen uitgedeeld en we moeten maar zien hoe we het midden houden. Ofwel we worden totaal onmachtig en slaaf van de gebeurtenissen die half bij ons binnenkomen, of we beginnen een revolutie – zonder precies te weten hoe het allemaal in elkaar zit. We kunnen ook teruggrijpen op stabielere denkpatronen uit het verleden en proberen om daarmee de situatie te doorgronden. Je kunt ook de hoop hebben, dat door deze chaos van beproevingen heen de Rede wel weer zal zegevieren, die dan op een hoger plan komt.

Ik zie een andere mogelijkheid, die mij tevens een noodzakelijkheid toeschijnt. Dat is een bezinning op het mens-zijn op zich. Is de mens goed gekarakteriseerd, wanneer we zeggen: homo sapiens, of zelfs homo sapiens sapiens? Is dat alles waardoor wij ons onderscheiden van de dieren, de planten, de stenen, de stof? Het blijkt wel dat weten nog geen wijsheid is en zelfbewustzijn nog geen sociale samenhang schept. Wat is het wezenlijke van het mens-zijn?

Kinderen vinden we lief en stout en we menen dat ze op te voeden zijn tot sociale levende wezens. Naar de kerk gaan we doorgaans niet meer met hen, maar we vinden wel dat ze geen dieven en moordenaars moeten worden.
Kortom, de volwassene heeft een geweten. Hij of zij heeft iets in zijn botten, in z’n merg, in zijn bloed, dat iets heeft geweten. Wat is dat? We hebben wel degelijk de kennis van goed en kwaad in ons merg en dat hebben we niet dankzij de kerk of de schoolmeester of papa en mama, maar dat hebben we uit onszelf, als was het een herinnering aan een wijsheid, die met goed en kwaad te maken heeft. Dat heeft een plant niet, die is machteloos overgeleverd aan de elementen en seizoenen - en aan de mens. Een dier heeft dat ook niet, het mag verslinden naar de lust van het ingeboren instinct.

Maar de mens heeft nog iets anders. Die heeft zeker een ‘sapientia’, een vermogen tot weten en wijsheid, maar dit strekt zich uit tot het kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad. En dat niet alleen met betrekking tot de ander - dat is het makkelijkst - maar ook met betrekking tot zichzelf. Daar ligt dat oermenselijke weten van goed en kwaad met betrekking tot de eigen handeling, gevoelens en gedachten. Daar is de mens echt in de beschikking van de ‘sapientia’, ten opzichte van het inzicht in het eigen goed en kwaad: Dat is pas de homo sapiens sapiens!

Wil de mensheid niet degenereren, dan zal iedere deelnemer aan de mensheid bij zichzelf te rade moeten gaan en het inzicht in het eigen goed en kwaad verwerven en verdiepen.

Dat gaat niet zonder een ontwikkeling naar echte wijsheid. Hier helpt geen wetenschap, f losof e, psychologie en ook geen religie. Ten aanzien van het eigen goed en kwaad is het vermogen om zichzelf ‘wat wijs te maken’ het allergrootst. Daarom is de eerste stap naar genezing de ontwikkeling van een sterk en objectief denkvermogen, dat bij de blik op het eigen zelf even sterk en objectief kan blijven, waardoor de wijsheid van de mens ook bij het bekijken van zichzelf wijs kan blijven.
Een intensieve ontwikkeling van het zelfbewuste objectieve denken in onze tijd is het geneesmiddel en de preventie van het totale verval van de menselijke waardigheid.