Een verhouding tot ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci

01-02-2016 Artikel van Jos Van Aerschot

Eén dag na Sinterklaas 2015 kreeg ik van de vriendenkring de vraag, of ik voor de volgende nieuwsbrief (n° 9) niet een artikel wilde schrijven over ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci, omdat ik daar zoals men zei, “affiniteit mee heb.” En ja, nogal wat mensen weten dat daar in zekere zin wel iets van aan is. Maar om dat te gaan verwoorden en aan papier toe te vertrouwen, vond ik niet zo vanzelfsprekend. Ik hield mijn antwoord in beraad; maar uiteindelijk bedacht ik me op één van de laatste dagen van het jaar, op mijn verjaardag, met een geschenk, door toch toe te zeggen. Ik zou me met dat kunstwerk (daar is men het veelal over eens) naar mensen toe toch eens trachten uiteen te zetten, want dat was tot nog toe erg beperkt gebleven.

Nu is er over ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci door heel veel deskundigen al met zo veel expertise geschreven, dat ik me hier ook niet op wilde richten, want in deze wereld zou mijn dwaallicht erg dwalen en weinig licht geven. Op internet en in wat gerichte literatuur kan men zich een weg banen door dit oerwoud van wetenswaardigheden.

Maar goed, Leonardo da Vinci schilderde zijn ‘Laatste Avondmaal’ in de jaren 1496 – 1498 over de volle breedte op een muur, in de refter van een klooster in Milaan. Hij was in 1452 in Italië (in het dorpje Vinci, nabij Firenze) geboren en stierf in 1519 te Amboise aan de Loire, waar hij in de omgeving van de koning van Frankrijk verbleef. Hij leefde dus in het prille begin van het tijdperk van de bewustzijnsziel (1413-3573).

Op de muurschildering wordt een scène in beeld gebracht van de donderdag in de lijdensweek, 's avonds tijdens het laatste maal van Jezus met zijn apostelen, namelijk het gebeuren nadat Jezus de woorden gesproken heeft: “Eén van u zal mij verraden”. De schildering drukt de zich dan voordoende innerlijke belevingen uit van Jezus en zijn metgezellen, na deze gesproken woorden. Deze expressies heeft Leonardo da Vinci vorm gegeven met behulp van onder meer kleuren, mensentypen, houdingen, gebaren, gelaatsuitdrukkingen, lichtinvallen en schaduweffecten.

Waar ik wel iets over wil schrijven, is over de verhouding die ik tot dat kunstwerk heb, en hoe deze zich in mijn leven ontwikkelde door allerlei voorvallen, belevingen, beschouwingen en door wat ik er mee deed.

Op maandag 4 januari 2016 nam ik mij voor de twee boeken die ik over ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci bezat nog eens in te kijken. Het boek van Michael Ladwein had ik jaren geleden diagonaal gelezen en in het recentere boek van Ross King had ik eigenlijk nog bijna niets gelezen. Ik nam ’s ochtends het boek van Michael Ladwein ter hand, doorbladerde het en begon achteraan de ellenlange bibliografie te overlopen. Op een gegeven moment viel mijn oog op een voordracht van Rudolf Steiner met als titel, ‘Lionardos geistige Größe am Wendepunkt zur neueren Zeit’, 13 februari 1913. Nu weet ik nog maar vrij recent dat al de voordrachten van Rudolf Steiner op internet te vinden zijn, en deze wilde ik wel lezen. Met mijn woordenboek bij de hand las ik, meegenomen door de beschouwingswijze van Rudolf Steiner, vluchtig deze voordracht, die hij hield in de winter van het jaar voorafgaand aan het begin van de eerste wereldoorlog in Europa. Bij het lezen van deze voordracht ontstond een soort stemming die ‘Het Laatste Avondmaal’ in een ander perspectief plaatste als daarvoor. Voorheen had alles een nogal vrijblijvend en ideëel karakter, maar bij het lezen van deze voordracht, was er een soort werkelijkheidsgehalte opgedoemd.
Ik wilde toen de volgende dagen voor mijzelf alles wat me al eens beziggehouden had met betrekking tot het ‘Het Laatste Avondmaal’, in een overzicht plaatsen, want daar was ik nog nooit mee bezig geweest. Op die manier zou ik zicht krijgen op wat ik in het artikel kon schrijven. Maar dat lukte me niet; alles hield me wel bezig, maar eerder om er verder op in te gaan, want er dienden zich nieuwe gezichtspunten en verbanden aan. Zo gingen een aantal dagen voorbij, en toen nam ik het besluit om uitsluitend iets te schrijven over mijn verhouding tot het ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci van vóór 4 januari, want anders zou ik aan het schrijven van het artikel niet toekomen.

Eerst wil ik nog mijn standpunt verduidelijken van waaruit ik schrijf, om geen misvattingen te doen ontstaan over al wat volgt. In mijn jongere jaren heb ik van Rudolf Steiner eens de uitspraak genoteerd, “dat men slechts langs verstandelijke weg kan voorbereiden wat langs geesteswetenschappelijke weg moet worden gevonden, en dat deze verstandelijke voorbereiding een innerlijke ziele-activiteit is die haar draagwijdte niet verkeerd mag inschatten; zij mag niet iets willen aantonen/bewijzen, maar alleen de ziel oefenen.” Dit wil ik uitdrukkelijk als uitgangspunt nemen voor al wat volgt, samen met een soort positief ingesteld dilettantisme, een liefhebber zijn van iets op zich, naar best vermogen. Eigenlijk is hiermee waarschijnlijk het belangrijkste aangegeven van het hele artikel.

Mijn eerste kennismaking met ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci vond plaats een half mensenleven geleden, nadat ik een boekje had gekocht waarin Goethes ‘Sprookje van de groene slang en de schone Lelie’ stond, samen met twee voordrachten[1] hierover van Rudolf Steiner, een exoterische en een esoterische. Het sprookje op zich was me een erg onduidelijke vertelling, maar de beide voordrachten van Rudolf Steiner verduidelijkten toch wel wat. Dit soort verhouding (verduidelijking/onduidelijkheid) heeft zich later in mijn leven ook nog nadrukkelijk voorgedaan, bij het lezen van de evangeliën en de voordrachten hierover van Rudolf Steiner. Nu komt in de exoterische voordracht over het sprookje het ‘Het Laatste Avondmaal’ ter sprake. Mijn vrouw Gerda wist dat zich hiervan een prachtige wandgrote kopie op doek in de Norbertijnenabdij van Tongerlo[2] bevond (een twintigtal km van onze woonplaats), in een speciaal hiervoor gebouwd museum. De afmetingen van de rechthoekige plattegrond van dit museum komen overeen met deze van de refter in Milaan, en de replica bedekt er ook zoals in Milaan, een volledige korte wand. Het schilderij werd waarschijnlijk in het jaar 1507 geschilderd door leerlingen van Leonardo da Vinci. We zijn het toen gaan bekijken, maar ik mag niet zeggen dat het een grote indruk op mij maakte, waarschijnlijk omdat schilderijen in het algemeen me niet erg aantrokken en ook omdat Bijbelse thema’s toen in mijn leven helemaal niet aan de orde waren. Terloops wil ik opmerken dat Norbertijnen leven naar de orderegels van Augustinus.

De jaren die volgden (±20 jaar) speelde ‘Het Laatste Avondmaal’ geen bijzondere rol in mijn leven, maar het was wel zo dat als ik er ergens een afbeelding van zag, er wel aandacht voor had. Ik kwam het door de jaren heen wel eens tegen onder de vorm van een schildering, een tekening, gedreven metaalwerk, houtsnijwerk, en als een bas-reliëf in marmer en in hout; ik zag ook wel eens een foto van die namaaksels (Nachbildungen) van ‘Het Laatste Avondmaal’, in één of ander boek of tijdschrift. Maar ik ben nooit gaan kijken naar afbeeldingen op internet, toen dat mogelijk werd. Een bedenking die wel leefde was, als ik weer eens een kopie zag, wat het maakte dat al die Nachbildungen, die uit zoveel verschillende materialen en vormgevingen bestonden, voor mensen en dus ook voor mij iets herkenbaars uitdrukten; zoiets als bvb.: waarom zijn alle zichtbare huizen, huis? Dit was zonder het bestaan van een ziel toch niet te verklaren?

Abendmahl
Het Laatste Avondmaal - Norbertijnenabdij - Tongerlo (BE)

Nu was ik recent de voordracht nog eens aan het lezen, die Mieke hield in de Steinerschool in Turnhout. In het tweede gedeelte hiervan (nieuwsbrief nr. 7) behandelt Mieke de zintuigleer van Rudolf Steiner. Wat daar geschreven staat over de gedachtezin/begripszin en ook de ik-zin, zegt veel over mijn bovenstaande bedenking; ook dat je met het oog eigenlijk kleuren waarneemt, maar vormen met de bewegingszin, is dan wel erg van toepassing bij het zien van ‘Het Laatste Avondmaal’.

De hype in 2003 rond het boek De Da Vinci Code van Dan Brown, is helemaal aan mij voorbijgegaan. Gerda las het, maar ik had er weinig belangstelling voor. In 2005 verscheen in het dorp waar ik woon, boven de uitgang in de kerk, een meters brede en hoge, kleurrijke collage van ‘Het Laatste Avondmaal’. In 2007 was er in Brussel een grote overzichtstentoonstelling van Leonardo da Vinci (The European Genius), waar ik met Gerda naar toe ben geweest. Ik herinner me daarvan, dat het er een drukte van jewelste was, en dat er heel veel te zien was, waar ik overal min of meer aan voorbij gegaan ben. Er was natuurlijk ook een fotokopie van ‘Het Laatste Avondmaal’ te zien, zelfs op ware grootte, maar dan waren de omstandigheden in het museumpje van Tongerlo bij de paters, toch een stuk gelukkiger.

Ik vermoed dat de collage in de kerk van Begijnendijk de aanleiding was, om het boekje met ‘Het sprookje van de groene slang en de schone Lelie’ en de twee voordrachten van Rudolf Steiner, nog eens ter hand te nemen. Bij het lezen van de exoterische voordracht kreeg ik heel sterk de indruk dat Rudolf Steiner ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci ter sprake bracht, om een nog heel andere reden dan die hij aangaf. Nu doe ik misschien open deuren open, maar voor mij was het een belevenis dat Rudolf Steiner de vier koningen in het sprookje verduidelijkte en ik een verband vermoedde met een bepaalde groep apostelen.

Van belang bij een bespreking van de apostelen op ‘Het Laatste Avondmaal’ is het feit, dat men wanneer men van linkse of rechtse apostelen ten opzichte van Jezus spreekt, hierbij moet vermelden vanuit welk standpunt men dit doet: vanuit het standpunt van Jezus of vanuit het standpunt van de toeschouwer. In het verdere verloop van de tekst wordt steeds het standpunt van de toeschouwer (wereldse mens) ingenomen.
De uiterst linkse groep apostelen zijn dan de wilsapostelen, met van links naar rechts: Bartolomeüs, Jacobus Minor en Andreas; de groep apostelen direct rechts van Jezus zijn dan de gevoelsapostelen, met van links naar rechts: Jacobus Maior, Thomas en Filippus (de linkerhand van Thomas is op de tafel te zien tussen Jacobus Maior en Filippus, dus tussen hen in is zijn zitplaats); de groep apostelen uiterst rechts van Jezus zijn dan de denkapostelen, met van links naar rechts: Mattheüs, Judas Thaddeüs en Simon de Zeloot; de groep apostelen direct links van Jezus is dan de gemengde groep, met van links naar rechts: Petrus als gevoelsapostel, Judas Iskariot als wilsapostel en Johannes als denkapostel. Jezus zit als dertiende te midden van de apostelen, twee groepen links en twee groepen rechts van Hem. Als men de gemengde groep apostelen apart beschouwt en de overige drie groepen apostelen tesamen neemt (cf. de denk-, gevoels- en wilskoning), dan is Thomas de middelste van deze (3x3) apostelen. Dus Jezus te midden van de (4x3) apostelen en Thomas te midden van de (3x3) apostelen. Zou dit een reden kunnen zijn waarom Thomas in het Johannesevangelie (J.11,16) de bijnaam Didymus (Tweeling) krijgt, omdat hij zoals Jezus een midden vertegenwoordigt, en waarom Leonardo hem met zijn gezicht het dichtst bij Jezus schildert, dichter dan dit van Jacobus Maior die naast Jezus zit? Verder is het Judas Iskariot die de middelste plaats inneemt in de gemengde groep, maar voor deze groep met zijn gezicht toch het verst verwijderd is van Jezus, verder dan dit van Petrus, die achter hem zit.

Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust,
Die eine will sich von der andern trennen;
Die eine hält, in derber Liebeslust,
Sich an die Welt mit klammernden Organen;
Die andre hebt gewaltsam sich vom Dust
Zu den Gefilden hoher Ahnen.

Twee zielen wonen, ach! in mijn borst,
De ene wil zich van de andere scheiden;
De ene houdt in hevige liefdeslust,
Zich aan de wereld vast met klampende organen,
De andere verheft zich krachtig uit de stof
Tot de regionen van hoge vaadren.

Goethe drukt hier in dichterlijke vorm een zielewerkelijkheid uit, die ten grondslag ligt aan ons menszijn. Hierbij sluit Rudolf Steiner aan met de thematiek, die hij bespreekt in de twee voordrachten horend bij ‘Het sprookje van de groene slang en de schone Lelie’, en die hij ook in verband brengt met de brieven van Schiller over ‘De esthetische opvoeding van de mens’.
Het is de thematiek van de lagere en de hogere zielemens en het verband tussen beide. De uitkomst hiervan wordt kernachtig uitgedrukt door Goethes woorden:

“So lang du das nicht hast, dieses: Stirb und Werde!
bist du nur ein trüber Gast auf der dunklen Erde.”

“Zo lang je dit niet hebt, dit: Sterf en Word!
ben je slechts een droevige gast op de donkere aarde.”

De lagere zielemens met zijn wereldse verbindingen, moet komen tot een sterven en nieuw geboren worden, en van hieruit tot een geestelijke verbondenheid. Men zou kunnen vermoeden dat ‘Het Laatste Avondmaal’ hiervan een structureel overzichtsbeeld geeft. Men zou zich de apostelen kunnen voorstellen als gedifferentieerde zielewerkzaamheden van de mens. Zou men hiermee ook niet de structurele vraag in verband kunnen zien, waarmee hoofdstuk 1 van de Filosofie der Vrijheid begint?

“Ist der Mensch in seinem Denken und Handeln ein geistig freies Wesen oder steht er unter dem Zwange einer rein naturgesetzlichen ehernen Notwendigkeit?”

“Is de mens in zijn denken en handelen een geestelijk vrij wezen of staat hij onder de dwang van een zuiver natuurwetmatige ijzeren noodzakelijkheid?”

Er was de tijd dat ik Mieke Mosmuller en haar werk leerde kennen, en ik had dan wel eens het gevoel bij een voordracht, dat zij onrechtstreeks aan het spreken was over verbanden tussen de apostelen en Jezus op ‘Het Laatste Avondmaal’. Ik heb me dat toen wel eens laten ontvallen, maar dat gaf meestal een gevoel wat ik nu ook nogal heb bij het schrijven van dit artikel, van grijpen naar een rookbeeld in de lucht.
In 2008 gaf Mieke het boekje uit, ‘Waarom zou ik mediter