Een verhouding tot ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci

01-02-2016 Artikel van

Eén dag na Sinterklaas 2015 kreeg ik van de vriendenkring de vraag, of ik voor de volgende nieuwsbrief (n° 9) niet een artikel wilde schrijven over ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci, omdat ik daar zoals men zei, “affiniteit mee heb.” En ja, nogal wat mensen weten dat daar in zekere zin wel iets van aan is. Maar om dat te gaan verwoorden en aan papier toe te vertrouwen, vond ik niet zo vanzelfsprekend. Ik hield mijn antwoord in beraad; maar uiteindelijk bedacht ik me op één van de laatste dagen van het jaar, op mijn verjaardag, met een geschenk, door toch toe te zeggen. Ik zou me met dat kunstwerk (daar is men het veelal over eens) naar mensen toe toch eens trachten uiteen te zetten, want dat was tot nog toe erg beperkt gebleven.

Nu is er over ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci door heel veel deskundigen al met zo veel expertise geschreven, dat ik me hier ook niet op wilde richten, want in deze wereld zou mijn dwaallicht erg dwalen en weinig licht geven. Op internet en in wat gerichte literatuur kan men zich een weg banen door dit oerwoud van wetenswaardigheden.

Maar goed, Leonardo da Vinci schilderde zijn ‘Laatste Avondmaal’ in de jaren 1496 – 1498 over de volle breedte op een muur, in de refter van een klooster in Milaan. Hij was in 1452 in Italië (in het dorpje Vinci, nabij Firenze) geboren en stierf in 1519 te Amboise aan de Loire, waar hij in de omgeving van de koning van Frankrijk verbleef. Hij leefde dus in het prille begin van het tijdperk van de bewustzijnsziel (1413-3573).

Op de muurschildering wordt een scène in beeld gebracht van de donderdag in de lijdensweek, 's avonds tijdens het laatste maal van Jezus met zijn apostelen, namelijk het gebeuren nadat Jezus de woorden gesproken heeft: “Eén van u zal mij verraden”. De schildering drukt de zich dan voordoende innerlijke belevingen uit van Jezus en zijn metgezellen, na deze gesproken woorden. Deze expressies heeft Leonardo da Vinci vorm gegeven met behulp van onder meer kleuren, mensentypen, houdingen, gebaren, gelaatsuitdrukkingen, lichtinvallen en schaduweffecten.

Waar ik wel iets over wil schrijven, is over de verhouding die ik tot dat kunstwerk heb, en hoe deze zich in mijn leven ontwikkelde door allerlei voorvallen, belevingen, beschouwingen en door wat ik er mee deed.

Op maandag 4 januari 2016 nam ik mij voor de twee boeken die ik over ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci bezat nog eens in te kijken. Het boek van Michael Ladwein had ik jaren geleden diagonaal gelezen en in het recentere boek van Ross King had ik eigenlijk nog bijna niets gelezen. Ik nam ’s ochtends het boek van Michael Ladwein ter hand, doorbladerde het en begon achteraan de ellenlange bibliografie te overlopen. Op een gegeven moment viel mijn oog op een voordracht van Rudolf Steiner met als titel, ‘Lionardos geistige Größe am Wendepunkt zur neueren Zeit’, 13 februari 1913. Nu weet ik nog maar vrij recent dat al de voordrachten van Rudolf Steiner op internet te vinden zijn, en deze wilde ik wel lezen. Met mijn woordenboek bij de hand las ik, meegenomen door de beschouwingswijze van Rudolf Steiner, vluchtig deze voordracht, die hij hield in de winter van het jaar voorafgaand aan het begin van de eerste wereldoorlog in Europa. Bij het lezen van deze voordracht ontstond een soort stemming die ‘Het Laatste Avondmaal’ in een ander perspectief plaatste als daarvoor. Voorheen had alles een nogal vrijblijvend en ideëel karakter, maar bij het lezen van deze voordracht, was er een soort werkelijkheidsgehalte opgedoemd.
Ik wilde toen de volgende dagen voor mijzelf alles wat me al eens beziggehouden had met betrekking tot het ‘Het Laatste Avondmaal’, in een overzicht plaatsen, want daar was ik nog nooit mee bezig geweest. Op die manier zou ik zicht krijgen op wat ik in het artikel kon schrijven. Maar dat lukte me niet; alles hield me wel bezig, maar eerder om er verder op in te gaan, want er dienden zich nieuwe gezichtspunten en verbanden aan. Zo gingen een aantal dagen voorbij, en toen nam ik het besluit om uitsluitend iets te schrijven over mijn verhouding tot het ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci van vóór 4 januari, want anders zou ik aan het schrijven van het artikel niet toekomen.

Eerst wil ik nog mijn standpunt verduidelijken van waaruit ik schrijf, om geen misvattingen te doen ontstaan over al wat volgt. In mijn jongere jaren heb ik van Rudolf Steiner eens de uitspraak genoteerd, “dat men slechts langs verstandelijke weg kan voorbereiden wat langs geesteswetenschappelijke weg moet worden gevonden, en dat deze verstandelijke voorbereiding een innerlijke ziele-activiteit is die haar draagwijdte niet verkeerd mag inschatten; zij mag niet iets willen aantonen/bewijzen, maar alleen de ziel oefenen.” Dit wil ik uitdrukkelijk als uitgangspunt nemen voor al wat volgt, samen met een soort positief ingesteld dilettantisme, een liefhebber zijn van iets op zich, naar best vermogen. Eigenlijk is hiermee waarschijnlijk het belangrijkste aangegeven van het hele artikel.

Mijn eerste kennismaking met ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci vond plaats een half mensenleven geleden, nadat ik een boekje had gekocht waarin Goethes ‘Sprookje van de groene slang en de schone Lelie’ stond, samen met twee voordrachten[1] hierover van Rudolf Steiner, een exoterische en een esoterische. Het sprookje op zich was me een erg onduidelijke vertelling, maar de beide voordrachten van Rudolf Steiner verduidelijkten toch wel wat. Dit soort verhouding (verduidelijking/onduidelijkheid) heeft zich later in mijn leven ook nog nadrukkelijk voorgedaan, bij het lezen van de evangeliën en de voordrachten hierover van Rudolf Steiner. Nu komt in de exoterische voordracht over het sprookje het ‘Het Laatste Avondmaal’ ter sprake. Mijn vrouw Gerda wist dat zich hiervan een prachtige wandgrote kopie op doek in de Norbertijnenabdij van Tongerlo[2] bevond (een twintigtal km van onze woonplaats), in een speciaal hiervoor gebouwd museum. De afmetingen van de rechthoekige plattegrond van dit museum komen overeen met deze van de refter in Milaan, en de replica bedekt er ook zoals in Milaan, een volledige korte wand. Het schilderij werd waarschijnlijk in het jaar 1507 geschilderd door leerlingen van Leonardo da Vinci. We zijn het toen gaan bekijken, maar ik mag niet zeggen dat het een grote indruk op mij maakte, waarschijnlijk omdat schilderijen in het algemeen me niet erg aantrokken en ook omdat Bijbelse thema’s toen in mijn leven helemaal niet aan de orde waren. Terloops wil ik opmerken dat Norbertijnen leven naar de orderegels van Augustinus.

De jaren die volgden (±20 jaar) speelde ‘Het Laatste Avondmaal’ geen bijzondere rol in mijn leven, maar het was wel zo dat als ik er ergens een afbeelding van zag, er wel aandacht voor had. Ik kwam het door de jaren heen wel eens tegen onder de vorm van een schildering, een tekening, gedreven metaalwerk, houtsnijwerk, en als een bas-reliëf in marmer en in hout; ik zag ook wel eens een foto van die namaaksels (Nachbildungen) van ‘Het Laatste Avondmaal’, in één of ander boek of tijdschrift. Maar ik ben nooit gaan kijken naar afbeeldingen op internet, toen dat mogelijk werd. Een bedenking die wel leefde was, als ik weer eens een kopie zag, wat het maakte dat al die Nachbildungen, die uit zoveel verschillende materialen en vormgevingen bestonden, voor mensen en dus ook voor mij iets herkenbaars uitdrukten; zoiets als bvb.: waarom zijn alle zichtbare huizen, huis? Dit was zonder het bestaan van een ziel toch niet te verklaren?

Abendmahl
Het Laatste Avondmaal - Norbertijnenabdij - Tongerlo (BE)

Nu was ik recent de voordracht nog eens aan het lezen, die Mieke hield in de Steinerschool in Turnhout. In het tweede gedeelte hiervan (nieuwsbrief nr. 7) behandelt Mieke de zintuigleer van Rudolf Steiner. Wat daar geschreven staat over de gedachtezin/begripszin en ook de ik-zin, zegt veel over mijn bovenstaande bedenking; ook dat je met het oog eigenlijk kleuren waarneemt, maar vormen met de bewegingszin, is dan wel erg van toepassing bij het zien van ‘Het Laatste Avondmaal’.

De hype in 2003 rond het boek De Da Vinci Code van Dan Brown, is helemaal aan mij voorbijgegaan. Gerda las het, maar ik had er weinig belangstelling voor. In 2005 verscheen in het dorp waar ik woon, boven de uitgang in de kerk, een meters brede en hoge, kleurrijke collage van ‘Het Laatste Avondmaal’. In 2007 was er in Brussel een grote overzichtstentoonstelling van Leonardo da Vinci (The European Genius), waar ik met Gerda naar toe ben geweest. Ik herinner me daarvan, dat het er een drukte van jewelste was, en dat er heel veel te zien was, waar ik overal min of meer aan voorbij gegaan ben. Er was natuurlijk ook een fotokopie van ‘Het Laatste Avondmaal’ te zien, zelfs op ware grootte, maar dan waren de omstandigheden in het museumpje van Tongerlo bij de paters, toch een stuk gelukkiger.

Ik vermoed dat de collage in de kerk van Begijnendijk de aanleiding was, om het boekje met ‘Het sprookje van de groene slang en de schone Lelie’ en de twee voordrachten van Rudolf Steiner, nog eens ter hand te nemen. Bij het lezen van de exoterische voordracht kreeg ik heel sterk de indruk dat Rudolf Steiner ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci ter sprake bracht, om een nog heel andere reden dan die hij aangaf. Nu doe ik misschien open deuren open, maar voor mij was het een belevenis dat Rudolf Steiner de vier koningen in het sprookje verduidelijkte en ik een verband vermoedde met een bepaalde groep apostelen.

Van belang bij een bespreking van de apostelen op ‘Het Laatste Avondmaal’ is het feit, dat men wanneer men van linkse of rechtse apostelen ten opzichte van Jezus spreekt, hierbij moet vermelden vanuit welk standpunt men dit doet: vanuit het standpunt van Jezus of vanuit het standpunt van de toeschouwer. In het verdere verloop van de tekst wordt steeds het standpunt van de toeschouwer (wereldse mens) ingenomen.
De uiterst linkse groep apostelen zijn dan de wilsapostelen, met van links naar rechts: Bartolomeüs, Jacobus Minor en Andreas; de groep apostelen direct rechts van Jezus zijn dan de gevoelsapostelen, met van links naar rechts: Jacobus Maior, Thomas en Filippus (de linkerhand van Thomas is op de tafel te zien tussen Jacobus Maior en Filippus, dus tussen hen in is zijn zitplaats); de groep apostelen uiterst rechts van Jezus zijn dan de denkapostelen, met van links naar rechts: Mattheüs, Judas Thaddeüs en Simon de Zeloot; de groep apostelen direct links van Jezus is dan de gemengde groep, met van links naar rechts: Petrus als gevoelsapostel, Judas Iskariot als wilsapostel en Johannes als denkapostel. Jezus zit als dertiende te midden van de apostelen, twee groepen links en twee groepen rechts van Hem. Als men de gemengde groep apostelen apart beschouwt en de overige drie groepen apostelen tesamen neemt (cf. de denk-, gevoels- en wilskoning), dan is Thomas de middelste van deze (3x3) apostelen. Dus Jezus te midden van de (4x3) apostelen en Thomas te midden van de (3x3) apostelen. Zou dit een reden kunnen zijn waarom Thomas in het Johannesevangelie (J.11,16) de bijnaam Didymus (Tweeling) krijgt, omdat hij zoals Jezus een midden vertegenwoordigt, en waarom Leonardo hem met zijn gezicht het dichtst bij Jezus schildert, dichter dan dit van Jacobus Maior die naast Jezus zit? Verder is het Judas Iskariot die de middelste plaats inneemt in de gemengde groep, maar voor deze groep met zijn gezicht toch het verst verwijderd is van Jezus, verder dan dit van Petrus, die achter hem zit.

Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust,
Die eine will sich von der andern trennen;
Die eine hält, in derber Liebeslust,
Sich an die Welt mit klammernden Organen;
Die andre hebt gewaltsam sich vom Dust
Zu den Gefilden hoher Ahnen.

Twee zielen wonen, ach! in mijn borst,
De ene wil zich van de andere scheiden;
De ene houdt in hevige liefdeslust,
Zich aan de wereld vast met klampende organen,
De andere verheft zich krachtig uit de stof
Tot de regionen van hoge vaadren.

Goethe drukt hier in dichterlijke vorm een zielewerkelijkheid uit, die ten grondslag ligt aan ons menszijn. Hierbij sluit Rudolf Steiner aan met de thematiek, die hij bespreekt in de twee voordrachten horend bij ‘Het sprookje van de groene slang en de schone Lelie’, en die hij ook in verband brengt met de brieven van Schiller over ‘De esthetische opvoeding van de mens’.
Het is de thematiek van de lagere en de hogere zielemens en het verband tussen beide. De uitkomst hiervan wordt kernachtig uitgedrukt door Goethes woorden:

“So lang du das nicht hast, dieses: Stirb und Werde!
bist du nur ein trüber Gast auf der dunklen Erde.”

“Zo lang je dit niet hebt, dit: Sterf en Word!
ben je slechts een droevige gast op de donkere aarde.”

De lagere zielemens met zijn wereldse verbindingen, moet komen tot een sterven en nieuw geboren worden, en van hieruit tot een geestelijke verbondenheid. Men zou kunnen vermoeden dat ‘Het Laatste Avondmaal’ hiervan een structureel overzichtsbeeld geeft. Men zou zich de apostelen kunnen voorstellen als gedifferentieerde zielewerkzaamheden van de mens. Zou men hiermee ook niet de structurele vraag in verband kunnen zien, waarmee hoofdstuk 1 van de Filosofie der Vrijheid begint?

“Ist der Mensch in seinem Denken und Handeln ein geistig freies Wesen oder steht er unter dem Zwange einer rein naturgesetzlichen ehernen Notwendigkeit?”

“Is de mens in zijn denken en handelen een geestelijk vrij wezen of staat hij onder de dwang van een zuiver natuurwetmatige ijzeren noodzakelijkheid?”

Er was de tijd dat ik Mieke Mosmuller en haar werk leerde kennen, en ik had dan wel eens het gevoel bij een voordracht, dat zij onrechtstreeks aan het spreken was over verbanden tussen de apostelen en Jezus op ‘Het Laatste Avondmaal’. Ik heb me dat toen wel eens laten ontvallen, maar dat gaf meestal een gevoel wat ik nu ook nogal heb bij het schrijven van dit artikel, van grijpen naar een rookbeeld in de lucht.
In 2008 gaf Mieke het boekje uit, ‘Waarom zou ik mediteren?’. Daarin staat achteraan een hoofdstuk over “De liefde”. Wel als men dat leest met ‘Het Laatste Avondmaal’ voor ogen, dan kan men er verstomd van staan dat inkt op papier zoveel overeenstemming kan vertonen met schilderwerk, en ineens werd er ook een differentiatie in de zielewerkzaamheden van de (3x3) apostelen aangeduid. Het hoofdstuk eindigt als volgt:

“De Liefdes-Mens heeft zo een denken, dat uit aandacht, grootmoedigheid en welwillendheid is gevormd. Het voelen gloeit van vreugde, idealisme en romantiek. De wil pulseert van moed, sympathie en interesse. In die negen kwaliteiten leeft de hogere mens als de bron ervan, verschijnt hierin, en put uit morele intuïtie, fantasie en vaardigheid.”
De gemengde groep apostelen zou dan kunnen worden gezien als het 'ik' met daarin de naar het hoogste strevende Johannes, de door Christus zelf ingewijde, met bij hem de afdwalingen in het ik, de verloochening en het verraad.

Kan men het drievoud van morele intuïtie, morele fantasie en morele vaardigheid, niet voorgesteld zien door de drie openingen in de achterwand van de ruimte waarin Jezus en zijn apostelen aanzitten aan tafel, en die uitgeven op een heldere buitenomgeving, voorstellende...?

Jaren geleden had ik, waarschijnlijk aansluitend op het lezen van de voordrachten van Rudolf Steiner over het Mattheüs evangelie, eens een boekje gekocht waarin een voordracht van Steiner stond over “Het Onze Vader”[3]. Dit begon ik nu terug te lezen, en het leek wel alsof men door de beschouwingswijze van Rudolf Steiner, met ‘Het Laatste Avondmaal’ een geschilderd Onze Vader voor ogen had. Steiner brengt in deze voordracht de overeenkomst ter sprake tussen de vier beden van het Onze Vader: Geef ons..., Vergeef ons..., Leid ons..., Behoed(-zaam) ons..., en de vier lichamelijke aspecten van de mens, respectievelijk het fysieke lichaam, het etherlichaam, het astraallichaam en het ik-lichaam. Deze kan men op ‘Het Laatste Avondmaal’ dan respectievelijk verbinden met de wils-, de gevoels-, de denkapostelen en de gemengde groep. De drie beden van het Onze Vader: Uw Naam..., Uw Rijk..., Uw Wil..., worden in de voordracht respectievelijk in verband gebracht met Geestzelf, Levensgeest en Geestmens. Op ‘Het Laatste Avondmaal’ kan men deze dan voorgesteld zien door de drie openingen die uitgeven op de buitenomgeving; deze heldere omgeving kan men dan als de voorstelling beleven van “Onze Vader die in de hemelen zijt”.

Ook als men het eerste deel van de proloog van het Johannes evangelie leest (J1,1-5), dan kan men hierin, onder meer door de ritmische opbouw, een macrocosmische overeenkomst met het (microcosmische) Onze Vader vermoeden, en dus ook met ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci.

Leonardo schilderde ‘Het Laatste Avondmaal’ over de volle wandbreedte op een muur van de refter, in het Dominicanerklooster Santa Maria delle Grazie in Milaan. De refter had zoals reeds aangehaald, een rechthoekige plattegrond, en het was geschilderd op een korte wand van deze refter. Het schilderwerk laat een perspectivische ruimte zien, waarvan men het gevoel kan hebben dat deze kubusvormig is, onder meer door de vierkante indruk van de achterwand. Leonardo heeft geen moeite gedaan om de indruk te wekken, dat deze geschilderde ruimte zou overgaan in de ruimte van de refterzaal (trompe-l’oeil). Achteraan is zoals reeds besproken, doorheen openingen in de muur, een heldere buitenomgeving te zien. Men kan als toeschouwer dus drie achter elkaar gelegen ruimten beleven, elk met een heel eigen karakter:

  1. de reële ruimte van de refter, waar men zich als toeschouwer lichamelijk bevindt;
  2. de geschilderde fictieve binnenruimte van het ‘Het Laatste Avondmaal’ gebeuren;
  3. de geschilderde heldere buitenruimte achteraan.

Nu was het voor mij een beleving, toen meer dan vijf jaar geleden, deze drie achter elkaar gelegen ruimten op een gegeven moment in verband kwamen te staan met: “gelijkheid/égalité, broederlijkheid/ fraternité en vrijheid/liberté.” Ook al was de Franse revolutie nog bijna drie eeuwen ver weg, kon er toen in de ziel van Leonardo da Vinci al een werkzaamheid geweest zijn die hiermee in verband stond? Van toen af heb ik wel eens aan mensen een afbeelding op kaart gegeven van ‘Het Laatste Avondmaal’, en bracht het dan even ter sprake.

Nu was ik vorig jaar in de zomer een tijd in Amboise, waar Leonardo dus gestorven is. Als men dan wat leest over de belangstelling van de Fransen voor Leonardo toen hij nog leefde en ook na zijn dood, en hoe de Franse koningen zich bij hun veroveringsoorlogen in Italië bedenkingen maakten om het op een muur geschilderde ‘Het Laatste Avondmaal’ over te brengen naar Frankrijk, maar daar vanwege de onoverkomelijke technische problemen uiteindelijk toch van afzagen, dan kan men zich afvragen wat de band was tussen Leonardo da Vinci en Frankrijk. Zelfs vandaag nog kan men in Amboise, doorheen de moderniteit, commercie en het toerisme, een band voelen tussen de Fransen en Leonardo, of speelt in dit gevoel misschien te veel subjectiviteit mee? En toch, als men het verblijfsdomein Le Clos Lucé van Leonardo in Amboise betreedt, waar hij drie jaar voor zijn dood terecht gekomen was op uitnodiging van de jonge Franse koning François I, die zelf daar in Amboise aan de Loire zijn koninklijke paleizen had, en men zich op een zonnige dag op de heldere binnenplaats van dit ommuurde domein bevindt, met in het midden de twee hoog opgegroeide pijnbomen, de ene wat ouder dan de andere, dan lijkt het wel dat daar de oude Leonardo da Vinci en de jonge koning François I broederlijk naast elkaar staan. Leonardo da Vinci is ook de enige grote Italiaanse kunstenaar die in een vreemd land begraven is.

De drie opeenvolgende ruimten die ik dus in verband zag met de leuze van de Franse revolutie, beleefde ik na verloop van tijd ook als het aan ons menszijn ten grondslag liggende drievoud van “lichaam, ziel en geest”. Het drievoud waarvan in de loop der tijden eerst de geest en vervolgens de ziel werd ontkend, en waarvan het menselijk lichaam uiteindelijk ook tot een louter materialistische voorstelling werd gereduceerd . Toch kan men dit oerdrievoud van lichaam, ziel en geest als eenwerkelijkheid beleven, en kunnen er zich andere menselijke drievouden bij aansluiten, die ook in de drie bewuste opeenvolgende ruimten kunnen beleefd worden:

  • Johannes de Doper/ Jezus/ Christus
  • Aardezoon/ Mensenzoon/ Godszoon
  • Oude Testament/ Nieuwe Testament/ Koninkrijk der Hemelen
  • Onbewuste onvrijheid/ Bewuste onvrijheid/ Vrijheid
  • Het uiterlijke/ Het innerlijke/ Voorbij het innerlijke
  • Rechtsleven/ Economisch leven/ Geestesleven
  • Wat zegt men?/ Hoe zegt men het?/ Wie zegt het?

Ik heb ooit eens ergens een beschouwing over de Davidster gelezen, die men in verband kan brengen met de drie aangeduide ruimten. Een Davidster kan namelijk gezien worden als twee op elkaar gelegen gelijkzijdige driehoeken. Voor de driehoek met de horizontale zijde bovenaan, was in de beschouwing sprake van de geest (zijde) die via het zielegebied naar de aarde (onderste hoekpunt) neigt; voor de driehoek met de horizontale zijde onderaan was er sprake van de mens die vanuit het lichaam (zijde) via zielebelevenissen naar de geest (bovenste hoekpunt) streeft. De Davidster stelt dan het elkaar doordringen van beide stromingen voor (cf. stromingen uitgaande van de wijnstok naar de rank en van de rank naar de wijnstok). Beschouwt men de Davidster horizontaal gelegen, dan kan men ze in overeenstemming zien met de drie achter elkaar gelegen ruimten. Zowel bij de Davidster als bij de drie ruimten is centraal heel sterk Jezus-Christus/Christus-Jezus aanwezig. Verder kan men mogelijk de geestelijke ruimte beschouwen als het gebied waarin de Vader werkzaam is; de zieleruimte als het gebied waarin de Zoon zich verwezenlijkt; de lichamelijke ruimte als het gebied waarin de Heilige Geest tot verschijning komt.

Een mogelijke beschouwing is ook, van een aantal opeenvolgende verbanden te zien in de weidsere omgeving rond ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci te Milaan, met name de natuurlijke omgeving rond Milaan als het Aards Paradijs, de stad Milaan als de wereld van de zondeval, het klooster als de plaats van de tot inkeer gekomen mensen de refter in het klooster als de inwijdingsplaats tot het Rijk der Hemelen.

Leonardo
Leonardo da Vinci

Als men de geschilderde binnenruimte van ‘Het Laatste Avondmaal’ op zich beschouwt, zonder de aanwezigheid van Jezus en de apostelen en met slechts een ongedekte tafel, dan dienen zich heel sterk de getallen 1, 3 en 4 aan. Ik heb reeds terloops aangegeven dat deze geschilderde ruimte een kubusvormige indruk geeft. In de drie geschilderde wanden (links, rechts en achteraan) zijn telkens drie openingen te zien; waar de openingen in de zijwanden op uitgeven en wat hun functie is, is onduidelijk. Men zou elk van de (3x3) apostelen in verband kunnen brengen met een opening. De kant van de binnenruimte naar de toeschouwer toe, lijkt volledig open en kan in verband gebracht worden met de gemengde groep apostelen. Als men deze zijde ook als gesloten zou beschouwen met drie openingen er in, dan krijgt men een omwanding van de kubusvormige ruimte met (4x3) openingen. Hier zou men dan verwantschap kunnen vermoeden met de beschrijving van de stadsmuur om het Nieuwe Jeruzalem op het einde van de Apocalyps van Johannes (A 21, 9 e.v.).
Het aantal verticale muurpanden langs en tussen de openingen in een wand, is bij drie openingen telkens vier. Op de zijwanden lijkt dat benadrukt te worden door de wandtapijten. Het doorlopende horizontale wandgedeelte boven de muurpanden, verbindt deze onderling met elkaar. Mogelijk kan men hierin samenhangende viervoudige lichamelijke aspecten van de mens zien, zoals:

  • Fysiek lichaam/ Etherlichaam/ Astraallichaam/ Ik-lichaam
  • Abraham – David/ Salomo – Jechonja/ Sealtiël – Jezus/ ...
  • Oude Saturnus/ Oude Zon/ Oude Maan/ Aarde
  • Vuur/ Lucht/ Water/ Aarde
  • Warmte/ Gas/ Vloeistof/ Vast

De aan te houden volgorde van de muurpanden voor de achterwand is dan: uiterst links/ derde van links/ uiterst rechts/ tweede van links. Deze verticale muurpanden lijken wel de pijlers van een te dragen massief. Het laatste muurpand, dat overeenstemt met het ik-lichaam en zich tussen Jezus en Johannes/de gemengde groep bevindt, vertoont zich het meest uitgesproken!

Ook de tafel gesteund door vier schragen met drie ruimten hiertussen, kan op deze samenhangende viervoudige lichamelijke aspecten van de mens duiden. Men kan ook zien dat er een sterk perspectivisch verband bestaat tussen de muurpanden en -openingen van de achterwand en de schragen en ruimten hiertussen. De middelste muuropening die een deuropening lijkt te zijn en de middelste ruimte tussen de schragen, horen heel sterk bij Christus-Jezus, en men zou hiermee bijzonder versterkt de bede van het Onze Vader, “Uw Rijk Kome”, in verband kunnen zien. Men kan ook het gevoel krijgen, dat het perspectivische verloop van de openingen in de achterwand naar de tussenruimten van de schragen toe, zich ook enigszins boven de tafel voordoet, telkens in de richting tussen twee groepen apostelen in.

Men kan de opeenvolgende lichamelijke aspecten van de mens (cf. muurpanden en schragen) in overeenkomstig verband brengen met aspecten van zielewerkzaamheden in de mens (cf. de vier groepen apostelen in volgorde van wils-, gevoels-, denkapostelen en gemengde groep), zoals:

  • willen/ voelen/ denken/ …
  • Caspar?
  • mirre/ Melchior?
  • wierook/ Balthazar?
  • goud/ Jezus
  • Marcus/ Lucas/ Johannes/ Mattheüs
  • Wonderen doen/ Duivels uitdrijven/ Profeteren/ Ongerechtigheid doen (Mt.7,22)
  • Mt.7,7-11/ Mt.7,12/ Mt.7,13-14/ Mt.7,15-20

Zo zou men ook de vier eerste romans van Mieke hier kunnen doen aansluiten, en mogelijk ook de vier eerbiedshoudingen (van Goethe) die Mieke de aanwezigen vorige zomer in Kiental, aanleerde. En als men bijvoorbeeld in Safranski's biografie van Goethe, in hoofdstuk 13 leest over de “Harzreise im Winter” (blz. 241 e.v.), dan kan men ook daar aansluiting vinden bij het bovenstaande. Op het einde van het hoofdstuk staat geschreven: “Drie afdoende redenen voor de winterse tocht naar de Harz: een practicum ter plekke voor de toekomstige intendant van de mijnbouw, het uitboeten van schuldgevoelens bij weer en wind, en het orakel van de Brocken: regeren! En daar bovenop de betoverende kleurenpracht in de avond, een geschenk aan de toekomstige kleurentheoreticus ( ik zou zeggen kleurenpracticus)
En als laatste voorbeeld: de wereldwijde meditatiebeweging, opgericht door John Main, die zich instelt op een christelijke traditie, gebruikt voor haar meditatiepraktijk het mantrische Aramese woord “Maranatha”, dat betrekking heeft op de voorlaatste zin van de bijbel,“Amen. Kom, Heer Jezus”(A22,20 deels). Als men hier Heer en Jezus zou verwisselen (toelaatbaar?) of vervangen door JezusChristus, dan kan men mogelijk ook hier het verband met de bovenstaande vier opeenvolgende zielebelevenissen in de mens vermoeden.

Centraal op ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci is Jezus te zien, zich bevindend op de drempel van het lijdensgebeuren dat Hij gaat ondergaan.
Judas Iskariot, Petrus en Johannes zullen ieder hiermee hun eigen verhouding hebben, respectievelijk van verraad, verloochening en trouw; de andere apostelen zullen op de achtergrond verdwijnen. Jezus zalde uiterlijke passie ondergaan..., samengaand met een innerlijke geestwerking die niet van deze wereld is...
Het zich opofferende sterven van Jezus zal leiden tot het geboren worden van Hem die kwam in het zijne..., en hierdoor tot de potentie van een nieuwe verhouding van de mens tot zijn binnen- en buitenwereld...

Ecce homo – Rudolf Steiner

In dem Herzen webet Fühlen,
In dem Haupte leuchtet Denken,
In den Gliedern kraftet Wollen.
Webendes Leuchten,
Kraftendes Weben, 
Leuchtendes Kraften:
Das ist der Mensch.

In het hart weeft voelen,
In het hoofd straalt denken,
In de leden werkt willen.
Wevend stralen,
Werkend weven,
Stralend werken:
Dat is de mens.

Tot hier heb ik een schetsmatig overzicht gegeven van mijn verhouding tot ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci, van voornamelijk voor het jaar 2012. Vanaf begin 2012 veranderden mijn levensomstandigheden bruusk. Bij het schrijven van dit artikel bleek dat ik hier een afsluiting moest maken.

De jaren nadien is mijn verhouding tot ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci, nog in verband komen te staan met het anthroposofische grondsteengebeuren dat ik toen pas leerde kennen, met de categorieën die Mieke op de voorgrond bracht, met de dierenriemtekens en hun samenhang met het menselijk lichaam en de denkrichtingen, en met ook wel de eurythmie die op een bepaalde manier in mijn leven binnen sijpelde.
En zoals in het begin reeds aangegeven, heeft juist het stilstaan bij dit alles, om dit artikel te schrijven, nog een wending gegeven aan mijn verhouding tot ‘Het Laatste Avondmaal’. Het is me bij het schrijven ook duidelijk geworden, dat de vraag van de vriendenkring een heel natuurlijke vraag bleek te zijn, om naar aanleiding daarvan, in een omvattende poging, stil te staan bij dit alles...

Het schrijven van dit artikel was zeker niet vanzelfsprekend, en het is uiteindelijk geworden wat het geworden is; maar al degenen die ooit aangaven, al was het maar met een half woord, dat ze zich op een of andere manier aangesproken voelden door wat ik wel eens zei, zijn me bij het schrijven zeer tot steun geweest...

1] Goethes geheime openbaring. Berlijn 22 oktober 1908 – exoterisch; 24 oktober 1908 – esoterisch. 2] www.tongerlo.org
3] Het Onze Vader. Berlijn 28 januari 1907

Voor Veerle mijn partner, voor Gerda mijn vrouw die vier jaar geleden in de winter van ons heenging, voor Anna mijn moeder, en voor Jozef van den Bergh die ik in 2010 te Neerijnen ontmoette.