Michael

29-09-2015 Artikel van Mieke Mosmuller
Michael

We zouden niet weten dat we in een Michael-tijdperk leven, als Rudolf Steiner dat niet had geopenbaard. In zijn laatste verzamelde 'Leitsätze' heeft hij zeer duidelijk gesproken over de betekenis van de aartsengel Michael voor de ontwikkeling van de mens in onze tijd. Vanaf het begin van mijn bekendheid hiermee heb ik de oproep die hiermee samenhangt intens beleefd en willen volgen. Wat is nu precies de stap in het innerlijke leven waartoe we door Michael worden opgeroepen en die door hem wordt mogelijk gemaakt?

Michael wil niet buiten ons medeweten om in ons werkzaam zijn. Ook wil hij niet tot in het fysieke plan afdalen om ons hier te beleren over zijn oproep. Het eerste betekent dat we niet onbewust door hem geïnspireerd worden, hij respecteert de vrijheid als een menselijke kwaliteit die tot ontwikkeling moet komen. Het tweede betekent dat we met ons gewone denken niet met hem in verbinding staan. Deze twee wezenskenmerken van Michaels missie moeten we heel goed bedenken. In de vorige Michaelperiode, in de tijd van Aristoteles en Alexander, werkte hij nog zoals nu ook nog de andere aartsengelen onbewust in de mens. Zijn werkzaamheid nu heeft een volstrekt nieuw karakter, en daarom is het voor de mens zo moeilijk voor te stellen, en worden er ook zoveel vergissingen gemaakt in de opvattingen over zijn missie nu.

Hij werkt niet onbewust in ons. Dat wil zeggen dat hij als het ware bewegingloos afwacht of wij een stap in zijn richting zetten. Rudolf Steiner beschrijft dat indrukwekkend:

'En hierin ligt ook de reden, waarom Michael met ernstige gelaatstrekken en gebaar door de kosmos gaat. In het innerlijk zo verbonden zijn met de intelligente inhoud zoals Michael dat is, betekent tevens de eis vervullen moeten om niets van subjectieve willekeur, van wens of begeren in deze inhoud binnen te dragen. Anders wordt logica willekeur van een wezen in plaats van uitdrukking van de kosmos. Streng zijn wezen als uitdrukking van het wereldwezen te houden; alles wat zich in het innerlijk als eigen wezen bewegen wil in dit innerlijk te laten: dat beschouwt Michael als zijn deugd. Zijn zin is gericht op de grote samenhangen van de kosmos - daarvan spreekt zijn gelaatsuitdrukking; zijn wil, die tot de mens komt, moet weerspiegelen wat hij in de kosmos schouwt -, daarvan spreekt zijn houding, zijn geste. Michael is in alles ernst, want ernst als openbaring van een wezen is de spiegel van de kosmos uit dit wezen; glimlachen is de uitdrukking van datgene wat uitgaande van een wezen in de wereld binnenstraalt.
Een van de imaginaties van Michael is ook: Hij gaat door de tijdenloop, het licht uit de kosmos wezenlijk als zijn wezen dragend; de warmte uit de kosmos als openbarer van zijn eigen wezen vorm gevend; hij gaat alswezen als een wereld, zich zelf slechts erkennend voor zover hij de wereld erkent, als uit alle wereldoorden krachten naar de aarde omlaag voerend.'

Hij dringt niet in ons door, hij toont zich aan ons met gelaatstrekken en gebaar, zijn wil toont zich, maar dwingt ons niet.

Maar we zien deze imaginatie met ons gewone bewustzijn niet, en dus kunnen we fantaseren wie Michael is, hoe hij werkt en wat hij wil - terwijl we uitgaan van wat Steiner erover gezegd heeft.

Maar we zullen toch zover moeten komen dat we zelf exact weten hoe we Michael moeten zien. Dat was onderwerp van de laatste toespraak van Rudolf Steiner, Michael 1924, die hij door fysieke zwakte moest afbreken. Hij wijst daar op de noodzaak dat het Michaelfeest op de juiste wijze moet worden gevierd, vanuit een werkelijk doordringend inzicht van de missie van Michael en de taak van de mens hierin. Wanneer 4 maal twaalf mensen dit inzicht werkelijk zouden hebben, zou de cultuur het Michaelische karakter kunnen dragen. Dat lijkt niet zo veel. Maar er hangt nogal wat samen met deze opgave. Het lezen van een paar cycli over Michael, of het leiden van een meditatief leven zonder inzicht in zijn missie is niet toereikend.

Het wezenlijke is, dat Michael niet afdaalt tot op het fysieke plan, zelfs niet met inspiraties. Je kunt hem dus niet fysiek zien, maar je kunt zijn gedachten ook niet met de hersenen spiegelen. Het is nodig om het denken zo te ontwikkelen dat het zich kan ontplooien zonder activiteit van de hersenen. Je zult een vaardigheid moeten ontwikkelen om gedachten te denken zonder gebruik te maken van de hersenen. Die vaardigheid ligt in het denken waarbij de denker met bewuste inzet van de wil uitsluitend gedachten denkt die geen zintuiglijke naklank bevatten, die ook niet tot de herinnering behoren. De Proloog van het Johannes Evangelie is het schoonste voorbeeld voor een zodanig denken. In mijn boek 'Levend Denken' heb ik deze vorm van zintuigvrij denken zo gedetailleerd als mogelijk uitgewerkt. Het gaat erom dat het innerlijke spreken wordt omgevormd in een innerlijk denken in gedachten, waarbij elke gedachte, elk begrip, zo intensief mogelijk wordt gedacht. Wanneer we dat uitvoeren voelen we onmiddellijk dat het denken zich uit de bekrompenheid van de hersenen machtig bevrijdt. Om dit te kunnen voelen moeten we wel een bijkomende vaardigheid ontwikkelen, en dat is de vaardigheid om niet alleen de inhoud te denken, maar ook de wijze van denken, het hele proces te beleven. Pas dan worden we werkelijk gewaar dat het denken loslaat, dat we met het denken vrij worden van de beperkingen van het lichaam.

Als we dit in praktijk brengen, zijn we met Michael verenigd, want hij verleent de moed, de wil, de inzet, de kracht ertoe. Wanneer we beleven hoe het vrijwordende denken leeft, is het Michael die we als wezen gewaar worden.

Het is niet de bedoeling dat we als Michael zijn. We zijn als mensen op aarde niet ertoe beroepen ons in te beelden dat we ons als een aartsengel moeten gedragen. Het rondlopen met een ernstig gezicht waar geen lachje af kan, het gebruikmaken van plechtige taal en gebaren, het zogenaamd niets uit jezelf willen, omdat dat niet mag ... dat heeft voor ons mensen geen pas en al helemaal geen zin. Alleen in de meditatie heeft een dergelijke houding zin en is die ook noodzakelijk. Daar moeten we zo ver zien te komen, dat we de ernst van het denken vatten, de verantwoordelijkheid voor de waarheid nemen, de oproep tot bevrijding uit de hersenen horen, opdat we de kosmische intelligentie weervinden.

Leerlingen in de Michaelschool mogen we zijn, maar we kunnen de meester (Michael zelf) niet worden. Hoe natuurlijker we in het leven van alledag ernaar streven om volle mensen te zijn, des te geestelijker wordt onze meditatie. De innerlijke weg verloopt in het geheim, het moet er voor de medemens niet vanaf stralen - behalve voor zover we meer aandacht, meer opmerkzaamheid, meer toewijding, meer liefde ontplooien.

In de Oudheid werd de Michaeltijd gezien als de tijd om opmerkzaam om je heen te kijken, interesse te hebben voor 'het horizontale', om dan geleidelijk aan de kracht te vinden die we nodig hebben voor de midwintertijd, waarin het Boze in de duisternis dreigt op te komen. Dat blijft uiteraard van kracht.

In onze tijd is het vooral van belang dat we kunnen meebeleven hoe we in de warmte van de zomer minder in onszelf waren, en hoe we naar de herfst toe onszelf terugvinden. Het is meer een verticaal proces. Het is alsof we als Odysseus terugkeren naar huis en daar het huis niet zo aantreffen als we het hebben achtergelaten. Er is allerlei inwoning gekomen, die we in onze tijd kunnen samenvatten met de naam 'Ahriman'. Daarvoor hebben we nu Michaelische kracht nodig, om die bij thuiskomst met de grootste moed te bestrijden en in plaats van het Ahrimanische automatische gewoontedenken het Michaelische zelfgewilde actieve denken te stellen. Zo kunnen we van jaar tot jaar steeds beter voorkomen dat tijdens onze afwezigheid het huis volstroomt met demonische wezens.

Michael