Spiritualisering van het denken

13-01-2016 Artikel van Mieke Mosmuller
Spiritualisering van het denken

Er zijn mensen die niet met hun volle wezen in onze wereld kunnen opgaan, die het gevoel hebben voor een deel daarmee in oppositie te geraken. Mensen die wrijving voelen met het leven van alledag, in wie vragen ontstaan die verder reiken dan de dagelijkse behoeften van het bestaan en de bevrediging daarvan. Zulke mensen hebben een overschot aan energie in zich, ze beleven juist dat overschot als wezenlijk, maar kunnen het nergens ‘uitleven’, want in onze wereld wordt daarmee niet gerekend. Het past in geen systeem, ook niet in een religieus systeem, in geen enkel beroep, niet in het gezinsleven, niet in de gewone vriendschap, de sport of het verenigingsleven. Het is een ervaring van iets overtolligs, iets dat je gaat belasten als het niet bewust wordt gemaakt. Het leidt tot depressies, eetstoornissen, vermoeidheid, gevoelens van ongeluk, eenzaamheid, angst. Het neemt het uiterlijk aan van een gebrek. Het lijkt een onvermogen te zijn om in het leven behoorlijk je weg te vinden, je bent niet helemaal ‘aangepast’, misschien zelfs een zwakkeling of een zwever, een twijfelaar of een hooggevoelig persoon. Toch berust het schijnbare gebrek op een overschot, op iets dat zich wil realiseren, maar dit niet kan.

In enkele gevallen neemt het leven dit overschot voor de rekening en gebruikt het. Dan gaat het op in een glanzende genialiteit, een schitterende carrière, het maken van een fortuin. Het overschot, de bron van alle vragen, raakt begraven en wekt daar de schijn van tevredenheid. Dan kan een slag van het lot dit overschot weer bevrijden. Er is ook een weg die leidt tot bewustwording van dit overschot. Het is een pijnlijke weg, maar deze leidt naar de zin van het leven.[1]

Aan het einde van zijn werkzaamheid heeft Rudolf Steiner voor de priesters van de Christengemeenschap nog eens duidelijk onder woorden gebracht hoe groot het belang en de noodzaak van een volledig bewust in de hand nemen van het denken is.

Wij leven in het tijdperk van de bewustzijnsziel. Dat is de etappe in de ontwikkeling van de mensheid waarin de mens de intellectualiteit [2] in de hand moet leren krijgen. Hij moet de intellectualiteit in zijn eigen individualiteit opnemen. Deze periode is de eerste, hierin is de opgave nog tot de geest van de mens beperkt en verloopt datgene wat betrekking heeft op het zich eigen maken van de intellectualiteit binnen het overpeinzen en denken. Er komt een tijd waarin ook de diepere krachten van de menselijke ziel zullen worden aangegrepen door datgene wat nu dan gebeurt in het overpeinzen, zoeken en denken.

Tegenwoordig is de mens nog in staat om zich voorstellingen te vormen van hoe hij gebruik moet leren maken van de intellectualiteit die in zijn individualiteit wil binnen komen. Maar voordat het tijdperk van de bewustzijnsziel ten einde is [binnen ongeveer 1500 jaar, Red] zullen de mensen ook in hun diepste emoties, gevoelens en hartstochten worden gegrepen door de intellectualiteit. Dan zal datgene nog dieper en grondiger in de mens wonen dat in de middeleeuwen is gezocht in de sterren, als men sprak over engel-intelligenties. Dat alles zal dan in de mens worden uitgestort. Als dan nog later de Jupiterfase van de aarde komt, zal ook de menselijke lichamelijkheid aangegrepen worden door de intellectualiteit. Daarom is het nu nog net mogelijk – omdat de mens nog begrijpen en uitspreken kan waarom het gaat, omdat de ziel nog niet tot in de meest innerlijke structuur door de intellectualiteit aangegrepen is – juist nu nog mogelijk om als priester zo te werken dat deze werelddoelen werkelijk worden bereikt.

Want ziet u, terwijl de mens de intellectualiteit uit het wereld-al naar zich toe trekt – en dat ligt in de bedoeling van de wereldwijsheid – bestaat er de mogelijkheid dat op onbewaakte momenten – en die zijn er altijd - de intellectualiteit wordt gegrepen door die ahrimanische macht die in de christelijke traditie de satan heet en die niet mag worden verwisseld met de gewone duivel want die heeft niet de satanische eigenschappen en is van lagere orde. Satan heeft de rang van de archai, van de oermachten. Hij is degene die de intellectualiteit heeft gegrepen lang voordat de mens erover kon beschikken. [Dit is eerder in deze cyclus behandeld.] Hij is nu de meest omvattende bezitter van de intellectualiteit en hij streeft ernaar om de menselijke intellectualiteit aan de zijne te binden, zo sterk dat de mens langs deze weg uit de ban van zijn evolutie kan geraken. Het onwerkzaam maken van het mysterie van Golgotha, daarnaar streeft deze ahrimanische macht.

Deze ahrimanische macht, in de christelijke traditie satan genoemd, heeft niet de kracht om in de wereldniveaus hoger te werken dan het niveau van de mens. Het is dus ondenkbaar dat de intelligentie van een engel direct door deze satanische macht kan worden gegrepen. Dat kan alleen bij uitzondering. Het hoort tegenwoordig nog bij de hogere geheimen van het occultisme waarover we verder niet kunnen spreken, om meer te weten over de mogelijkheid dat in de toekomst niet alleen de mens wordt gebonden door deze satanische macht maar ook de engelen en vooral de aartsengelen. Alleen onder bepaalde voorwaarden kan er meer over worden gezegd.

In onze tijd moeten we er allereerst rekening mee houden, dat deze macht, die in de christelijke traditie Satan genoemd wordt, de gave heeft om zich te bevestigen aan datgene in het innerlijk van de mens, wat met zulk een zelfstandigheid in hem leeft als de intellectualiteit. Dan kan de mens op deze wijze in een geheel andere baan worden gebracht, doordat zijn wezen meegesleurd wordt door zijn intellect, waarbij Satan aanknopen kan. Dat zou bij geen enkele andere ziele- of geesteskracht, bij geen andere lichaamskracht in de mens mogelijk zijn. Al het overige is verbonden met bepaalde goddelijke machten. Wanneer hij bijvoorbeeld het voelen, gewaarworden, begeren of wensen van de mens zou naderen, zou Satan nog steeds te maken hebben met de in deze zielekwaliteiten aanwezige bovenmenselijke krachten. De intellectualiteit is het eerste vermogen van de mens,waarmee de mens zich volledig kan losmaken van de wezens die zijn persoonlijke ontwikkeling bewerken. Zij is het eerste vermogen waarmee de mens met zijn volle oereigen vrije kracht moet aanknopen aan die machten die vanaf het begin bij zijn ontwikkeling hebben gestaan.[3]

In deze passage wordt duidelijk dat het niet alleen een liefhebberij van de persoonlijkheid is om het denken te doorgronden en zo in de hand te nemen, maar dat het tevens een activiteit is die voor de voortgang van de ontwikkeling van de mensheid, zoals die door de goede goddelijke machten bedoeld is, noodzakelijk is. Het is dus enerzijds een activiteit die de eigen ontwikkeling bevordert, anderzijds werkt die als een ferment in de hele mensheid.

Nu kan je een gevoel van machteloosheid bekruipen,wanneer je zulke voordrachten leest. De oproep is heel duidelijk, maar de uitvoering ervan niet. Je moet het werk van Rudolf Steiner in zijn geheel doorwerken, om die machteloosheid langzaam in een bekwaamheid om te vormen – of je moet zoeken naar aanwijzingen om tot een omzetten van het begrip in de werkelijke activiteit te komen. Zowel de boeken als ook de voordrachten van Rudolf Steiner geven je steeds weer een raadsel op. In Waarheid en wetenschap en De filosofie van de vrijheid wordt al gewezen op het mysterie van het kennen van het kennen, het denken over het denken, het denken van het denken. Maar je vindt er niet een duidelijke handleiding hoe je innerlijk te werk moet gaan. Het is juist het raadsel, dat maakt dat je actief wordt – je moet wel. Al wordt er in begrijpelijke taal geschreven waar het om gaat, je blijft toch met een gevoel van raadselachtigheid zitten, ook al heb je zo’n boek als ‘Waarheid en Wetenschap’ woord voor woord begrepen. Er moet meer gebeuren dan begrijpen, dat is duidelijk. Tussen de woorden werkt een oproep, dezelfde oproep die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven nog steeds doet, zoals in het bovenstaande citaat. Begrip alleen is niet voldoende. Die oproep leeft ook in de Kerngedachten van de antroposofie. De eerste kerngedachte luidt:

‘Anthroposofie is een weg in het kennen, die het geestelijke in het menselijke wezen wil leiden naar het geestelijke in het wereldal. Zij treedt in de mens als behoefte van hart en gevoel op. Zij moet daardoor haar rechtvaardiging vinden, dat zij deze behoefte bevrediging schenken kan. Alleen diegene kan de anthroposophie erkennen, die in haar vindt, wat hij vanuit zijn gemoed zich gedrongen voelt te zoeken. Anthroposofen kunnen derhalve alleen die mensen zijn, die bepaalde vragen over het wezen van de mens en de wereld zo als levensnoodzaak beleven, als je honger en dorst beleeft.’ [4]

Het hele werk van Steiner is eigenlijk een oproep om het denken te spiritualiseren. Tevens beleef je in dat werk, wat er met het denken gebeurt, wanneer een mens die spiritualisering tot stand heeft gebracht. Nu zou je kunnen menen, dat je al tot een spiritualisering komt, wanneer je je denken spirituele inhouden geeft, wanneer je dus de geesteswetenschap van Rudolf Steiner bestudeert. Je hebt dan nog steeds je gewone alledaagse denken, alleen heeft het een spirituele inhoud. Je zou eigenlijk een diep gevoel van ontevredenheid moeten hebben, wanneer je zo te werk gaat. Want het intellect kan niet anders, dan de spirituele, de geesteswetenschappelijke inhouden te verlammen, te onttoveren. Dat voel je, dat beleef je, dat geeft een pijnlijk, onmachtig gevoel. Enerzijds denkt je intellect het allerhoogste, anderzijds kan het er op geen enkele wijze bij. Je kunt de inhoud trachten te beleven, daarmee ontkom je aan het intellect en wordt de hoge inhoud tot iets van jouw persoonlijkheid. Dan ben je iets verder gekomen, maar het gevoel dat je een raadsel over het hoofd ziet, dat je kenvermogen tekort schiet, blijft toch bestaan.

Niet alleen moet het denken– van tijd tot tijd – gewend raken aan een spirituele invulling; het intellect zelf kan gespiritualiseerd worden, het kan worden tot een spirituele intelligentie. Rudolf Steiner heeft voor dergelijke processen de wezens genoemd, die je hiervoor nodig hebt, met welke je je verbindt, wanneer je zoiets begint na te streven. Het omvormen van het intellect in spirituele intelligentie staat gelijk aan het je verbinden met Michael. Zonder hem gaat het niet, en zodra je die weg op gaat, is hij bij je. Maar omgekeerd kun je ook zeggen: als je niet een spiritualisering van het intellect nastreeft, verbind je je (nog) niet echt met Michael. Je kunt de naam zo vaak noemen als je wilt, je vindt pas de realiteit van dit Wezen, wanneer je innerlijk actief wordt.

Het werk van Rudolf Steiner is gevuld met ‘toverformules’, met zinnen, alinea’s, bladzijden, voordrachten, hoofdstukken, die je kunnen treffen als aanwijzingen hoe je te werk moet gaan. Ieder zal daar zelf zijn weg in moeten vinden, voor de een is deze zin ‘bedeutungsschwer’, voor een ander een andere zin, alinea enzovoort. Zo’n zin kan een ‘epifanie’ betekenen voor de ziel, die hem opneemt. Een verlichting, een openbaring, een betekenisvolle oproep. Zo’n zin kan de volgende zijn:

Omdat het ik de mogelijkheid heeft om door vrijheid actief te worden, kan het uit zichzelf, door zelfbepaling, de categorie van het kennen verwerkelijken, terwijl de categorieën in het overige (de overige wereld) door objectieve noodzakelijkheid met het daarmee corresponderende verbonden blijken te zijn.[5]

Deze zin staat inWaarheid en wetenschaptussen vele andere zinnen die even betekenisvol zijn. Maar in deze zin kun je de hele oproep tot een reële anthroposofie en de techniek vinden. In deze zin staat het geheim van de spiritualisering van het intellect, de samenhang met de vrijheid en tevens de weg naar een realisering ervan.

Je kunt alle spirituele inhouden uit de geschiedenis, van de hele wereld in je denken opnemen. Je hebt dan nog geen stap op de weg van de spiritualisering van het intellect gezet. Het intellect is in zijn wezen nu eenmaal alles, behalve spiritueel. Het heeft zijn spiritualiteit verloren en kan het niet meer terug veroveren. Zodra spiritualiteit in het intellect ‘valt’ is ze onttoverd. Dat geeft ons het raadsel op, dat geeft ons zo’n onmachtig gevoel. Het instrument, waarmee je de spiritualiteit opneemt, is daarvoor niet alleen niet geschikt, het is een reële tegenmacht. En toch kun je er niet omheen, want alleen met het intellect kun je de geesteswetenschap begrijpen.

Nu kun je je begripsvermogen ook gebruiken, om zo’n zin als boven geciteerd te begrijpen. Daar staat, dat het ik zich in vrijheid tot activiteit kan brengen. Je kunt begrijpen wat er staat, maar je kunt het bovendien in jezelf in praktijk brengen. Je kunt leren, onderscheid te maken tussen een niet-denken, of ook een passief verlopend gedachteleven enerzijds en een actief in gang gezet denken anderzijds. In het actief in gang zetten van een gedachte, een begrip, vind je vroeg of laat de energie van het ik en diens vrijheid. Pas dan heb je immers het eerste deel van de zin verwerkelijkt? Het ik kan zich dus in vrijheid in gang zetten, actief worden. Deze mogelijkheid van het ik, om in vrijheid actief te worden, maakt het voor het ik mogelijk de categorie van het kennen door zelfbepaling te realiseren, te verwerkelijken. Die woorden zijn ook heel goed te begrijpen, maar wat heb je aan dat begrip? Ook dit deel van de zin wordt pas waardevol, wanneer je ertoe komt, te doen wat er staat.

Door als ‘ik’ actief te worden, door het denken in gang te zetten, wordt het mogelijk de categorie van het kennen te verwerkelijken. Zolang je passief denkt, zolang het denken uit zichzelf verloopt, zit het ik erin, het is ermee vergroeid. Het bewust in gang zetten van het denken maakt het ik pas vrij, het wordt iets, wat als innerlijke energie beleefd wordt, en wat niet zomaar als een inhoudsloos iets verloopt. Het is energie, maar het is tegelijk kennende energie. En omdat het zich losgemaakt heeft uit de directe denkinhoud, kan het die inhoud als het ware vatten, voor deze in gedachten uitloopt. Het ik kan de vaardigheid ontwikkelen, om het inhoudelijke denken steeds vóór te zijn, en zo zich zelf te bepalen, te ‘bekennen’. Maar tegelijk, wanneer het ik schouwen kan, hoe het zichzelf telkens in de activiteit geboren doet worden, weet het hierin tevens, wat het kenproces is. En het weet het niet alleen, maar het voltrekt het ook.

Een heel boek heb ik aan dit punt van het ik gewijd.[6] Ik heb dit doen geboren worden