Spiritualisering van het denken

13-01-2016 Artikel van Mieke Mosmuller

Er zijn mensen die niet met hun volle wezen in onze wereld kunnen opgaan, die het gevoel hebben voor een deel daarmee in oppositie te geraken. Mensen die wrijving voelen met het leven van alledag, in wie vragen ontstaan die verder reiken dan de dagelijkse behoeften van het bestaan en de bevrediging daarvan. Zulke mensen hebben een overschot aan energie in zich, ze beleven juist dat overschot als wezenlijk, maar kunnen het nergens ‘uitleven’, want in onze wereld wordt daarmee niet gerekend. Het past in geen systeem, ook niet in een religieus systeem, in geen enkel beroep, niet in het gezinsleven, niet in de gewone vriendschap, de sport of het verenigingsleven. Het is een ervaring van iets overtolligs, iets dat je gaat belasten als het niet bewust wordt gemaakt. Het leidt tot depressies, eetstoornissen, vermoeidheid, gevoelens van ongeluk, eenzaamheid, angst. Het neemt het uiterlijk aan van een gebrek. Het lijkt een onvermogen te zijn om in het leven behoorlijk je weg te vinden, je bent niet helemaal ‘aangepast’, misschien zelfs een zwakkeling of een zwever, een twijfelaar of een hooggevoelig persoon. Toch berust het schijnbare gebrek op een overschot, op iets dat zich wil realiseren, maar dit niet kan.

In enkele gevallen neemt het leven dit overschot voor de rekening en gebruikt het. Dan gaat het op in een glanzende genialiteit, een schitterende carrière, het maken van een fortuin. Het overschot, de bron van alle vragen, raakt begraven en wekt daar de schijn van tevredenheid. Dan kan een slag van het lot dit overschot weer bevrijden. Er is ook een weg die leidt tot bewustwording van dit overschot. Het is een pijnlijke weg, maar deze leidt naar de zin van het leven.[1]

Aan het einde van zijn werkzaamheid heeft Rudolf Steiner voor de priesters van de Christengemeenschap nog eens duidelijk onder woorden gebracht hoe groot het belang en de noodzaak van een volledig bewust in de hand nemen van het denken is.

Wij leven in het tijdperk van de bewustzijnsziel. Dat is de etappe in de ontwikkeling van de mensheid waarin de mens de intellectualiteit [2] in de hand moet leren krijgen. Hij moet de intellectualiteit in zijn eigen individualiteit opnemen. Deze periode is de eerste, hierin is de opgave nog tot de geest van de mens beperkt en verloopt datgene wat betrekking heeft op het zich eigen maken van de intellectualiteit binnen het overpeinzen en denken. Er komt een tijd waarin ook de diepere krachten van de menselijke ziel zullen worden aangegrepen door datgene wat nu dan gebeurt in het overpeinzen, zoeken en denken.

Tegenwoordig is de mens nog in staat om zich voorstellingen te vormen van hoe hij gebruik moet leren maken van de intellectualiteit die in zijn individualiteit wil binnen komen. Maar voordat het tijdperk van de bewustzijnsziel ten einde is [binnen ongeveer 1500 jaar, Red] zullen de mensen ook in hun diepste emoties, gevoelens en hartstochten worden gegrepen door de intellectualiteit. Dan zal datgene nog dieper en grondiger in de mens wonen dat in de middeleeuwen is gezocht in de sterren, als men sprak over engel-intelligenties. Dat alles zal dan in de mens worden uitgestort. Als dan nog later de Jupiterfase van de aarde komt, zal ook de menselijke lichamelijkheid aangegrepen worden door de intellectualiteit. Daarom is het nu nog net mogelijk – omdat de mens nog begrijpen en uitspreken kan waarom het gaat, omdat de ziel nog niet tot in de meest innerlijke structuur door de intellectualiteit aangegrepen is – juist nu nog mogelijk om als priester zo te werken dat deze werelddoelen werkelijk worden bereikt.

Want ziet u, terwijl de mens de intellectualiteit uit het wereld-al naar zich toe trekt – en dat ligt in de bedoeling van de wereldwijsheid – bestaat er de mogelijkheid dat op onbewaakte momenten – en die zijn er altijd - de intellectualiteit wordt gegrepen door die ahrimanische macht die in de christelijke traditie de satan heet en die niet mag worden verwisseld met de gewone duivel want die heeft niet de satanische eigenschappen en is van lagere orde. Satan heeft de rang van de archai, van de oermachten. Hij is degene die de intellectualiteit heeft gegrepen lang voordat de mens erover kon beschikken. [Dit is eerder in deze cyclus behandeld.] Hij is nu de meest omvattende bezitter van de intellectualiteit en hij streeft ernaar om de menselijke intellectualiteit aan de zijne te binden, zo sterk dat de mens langs deze weg uit de ban van zijn evolutie kan geraken. Het onwerkzaam maken van het mysterie van Golgotha, daarnaar streeft deze ahrimanische macht.

Deze ahrimanische macht, in de christelijke traditie satan genoemd, heeft niet de kracht om in de wereldniveaus hoger te werken dan het niveau van de mens. Het is dus ondenkbaar dat de intelligentie van een engel direct door deze satanische macht kan worden gegrepen. Dat kan alleen bij uitzondering. Het hoort tegenwoordig nog bij de hogere geheimen van het occultisme waarover we verder niet kunnen spreken, om meer te weten over de mogelijkheid dat in de toekomst niet alleen de mens wordt gebonden door deze satanische macht maar ook de engelen en vooral de aartsengelen. Alleen onder bepaalde voorwaarden kan er meer over worden gezegd.

In onze tijd moeten we er allereerst rekening mee houden, dat deze macht, die in de christelijke traditie Satan genoemd wordt, de gave heeft om zich te bevestigen aan datgene in het innerlijk van de mens, wat met zulk een zelfstandigheid in hem leeft als de intellectualiteit. Dan kan de mens op deze wijze in een geheel andere baan worden gebracht, doordat zijn wezen meegesleurd wordt door zijn intellect, waarbij Satan aanknopen kan. Dat zou bij geen enkele andere ziele- of geesteskracht, bij geen andere lichaamskracht in de mens mogelijk zijn. Al het overige is verbonden met bepaalde goddelijke machten. Wanneer hij bijvoorbeeld het voelen, gewaarworden, begeren of wensen van de mens zou naderen, zou Satan nog steeds te maken hebben met de in deze zielekwaliteiten aanwezige bovenmenselijke krachten. De intellectualiteit is het eerste vermogen van de mens,waarmee de mens zich volledig kan losmaken van de wezens die zijn persoonlijke ontwikkeling bewerken. Zij is het eerste vermogen waarmee de mens met zijn volle oereigen vrije kracht moet aanknopen aan die machten die vanaf het begin bij zijn ontwikkeling hebben gestaan.[3]

In deze passage wordt duidelijk dat het niet alleen een liefhebberij van de persoonlijkheid is om het denken te doorgronden en zo in de hand te nemen, maar dat het tevens een activiteit is die voor de voortgang van de ontwikkeling van de mensheid, zoals die door de goede goddelijke machten bedoeld is, noodzakelijk is. Het is dus enerzijds een activiteit die de eigen ontwikkeling bevordert, anderzijds werkt die als een ferment in de hele mensheid.

Nu kan je een gevoel van machteloosheid bekruipen,wanneer je zulke voordrachten leest. De oproep is heel duidelijk, maar de uitvoering ervan niet. Je moet het werk van Rudolf Steiner in zijn geheel doorwerken, om die machteloosheid langzaam in een bekwaamheid om te vormen – of je moet zoeken naar aanwijzingen om tot een omzetten van het begrip in de werkelijke activiteit te komen. Zowel de boeken als ook de voordrachten van Rudolf Steiner geven je steeds weer een raadsel op. In Waarheid en wetenschap en De filosofie van de vrijheid wordt al gewezen op het mysterie van het kennen van het kennen, het denken over het denken, het denken van het denken. Maar je vindt er niet een duidelijke handleiding hoe je innerlijk te werk moet gaan. Het is juist het raadsel, dat maakt dat je actief wordt – je moet wel. Al wordt er in begrijpelijke taal geschreven waar het om gaat, je blijft toch met een gevoel van raadselachtigheid zitten, ook al heb je zo’n boek als ‘Waarheid en Wetenschap’ woord voor woord begrepen. Er moet meer gebeuren dan begrijpen, dat is duidelijk. Tussen de woorden werkt een oproep, dezelfde oproep die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven nog steeds doet, zoals in het bovenstaande citaat. Begrip alleen is niet voldoende. Die oproep leeft ook in de Kerngedachten van de antroposofie. De eerste kerngedachte luidt:

‘Anthroposofie is een weg in het kennen, die het geestelijke in het menselijke wezen wil leiden naar het geestelijke in het wereldal. Zij treedt in de mens als behoefte van hart en gevoel op. Zij moet daardoor haar rechtvaardiging vinden, dat zij deze behoefte bevrediging schenken kan. Alleen diegene kan de anthroposophie erkennen, die in haar vindt, wat hij vanuit zijn gemoed zich gedrongen voelt te zoeken. Anthroposofen kunnen derhalve alleen die mensen zijn, die bepaalde vragen over het wezen van de mens en de wereld zo als levensnoodzaak beleven, als je honger en dorst beleeft.’ [4]

Het hele werk van Steiner is eigenlijk een oproep om het denken te spiritualiseren. Tevens beleef je in dat werk, wat er met het denken gebeurt, wanneer een mens die spiritualisering tot stand heeft gebracht. Nu zou je kunnen menen, dat je al tot een spiritualisering komt, wanneer je je denken spirituele inhouden geeft, wanneer je dus de geesteswetenschap van Rudolf Steiner bestudeert. Je hebt dan nog steeds je gewone alledaagse denken, alleen heeft het een spirituele inhoud. Je zou eigenlijk een diep gevoel van ontevredenheid moeten hebben, wanneer je zo te werk gaat. Want het intellect kan niet anders, dan de spirituele, de geesteswetenschappelijke inhouden te verlammen, te onttoveren. Dat voel je, dat beleef je, dat geeft een pijnlijk, onmachtig gevoel. Enerzijds denkt je intellect het allerhoogste, anderzijds kan het er op geen enkele wijze bij. Je kunt de inhoud trachten te beleven, daarmee ontkom je aan het intellect en wordt de hoge inhoud tot iets van jouw persoonlijkheid. Dan ben je iets verder gekomen, maar het gevoel dat je een raadsel over het hoofd ziet, dat je kenvermogen tekort schiet, blijft toch bestaan.

Niet alleen moet het denken– van tijd tot tijd – gewend raken aan een spirituele invulling; het intellect zelf kan gespiritualiseerd worden, het kan worden tot een spirituele intelligentie. Rudolf Steiner heeft voor dergelijke processen de wezens genoemd, die je hiervoor nodig hebt, met welke je je verbindt, wanneer je zoiets begint na te streven. Het omvormen van het intellect in spirituele intelligentie staat gelijk aan het je verbinden met Michael. Zonder hem gaat het niet, en zodra je die weg op gaat, is hij bij je. Maar omgekeerd kun je ook zeggen: als je niet een spiritualisering van het intellect nastreeft, verbind je je (nog) niet echt met Michael. Je kunt de naam zo vaak noemen als je wilt, je vindt pas de realiteit van dit Wezen, wanneer je innerlijk actief wordt.

Het werk van Rudolf Steiner is gevuld met ‘toverformules’, met zinnen, alinea’s, bladzijden, voordrachten, hoofdstukken, die je kunnen treffen als aanwijzingen hoe je te werk moet gaan. Ieder zal daar zelf zijn weg in moeten vinden, voor de een is deze zin ‘bedeutungsschwer’, voor een ander een andere zin, alinea enzovoort. Zo’n zin kan een ‘epifanie’ betekenen voor de ziel, die hem opneemt. Een verlichting, een openbaring, een betekenisvolle oproep. Zo’n zin kan de volgende zijn:

Omdat het ik de mogelijkheid heeft om door vrijheid actief te worden, kan het uit zichzelf, door zelfbepaling, de categorie van het kennen verwerkelijken, terwijl de categorieën in het overige (de overige wereld) door objectieve noodzakelijkheid met het daarmee corresponderende verbonden blijken te zijn.[5]

Deze zin staat inWaarheid en wetenschaptussen vele andere zinnen die even betekenisvol zijn. Maar in deze zin kun je de hele oproep tot een reële anthroposofie en de techniek vinden. In deze zin staat het geheim van de spiritualisering van het intellect, de samenhang met de vrijheid en tevens de weg naar een realisering ervan.

Je kunt alle spirituele inhouden uit de geschiedenis, van de hele wereld in je denken opnemen. Je hebt dan nog geen stap op de weg van de spiritualisering van het intellect gezet. Het intellect is in zijn wezen nu eenmaal alles, behalve spiritueel. Het heeft zijn spiritualiteit verloren en kan het niet meer terug veroveren. Zodra spiritualiteit in het intellect ‘valt’ is ze onttoverd. Dat geeft ons het raadsel op, dat geeft ons zo’n onmachtig gevoel. Het instrument, waarmee je de spiritualiteit opneemt, is daarvoor niet alleen niet geschikt, het is een reële tegenmacht. En toch kun je er niet omheen, want alleen met het intellect kun je de geesteswetenschap begrijpen.

Nu kun je je begripsvermogen ook gebruiken, om zo’n zin als boven geciteerd te begrijpen. Daar staat, dat het ik zich in vrijheid tot activiteit kan brengen. Je kunt begrijpen wat er staat, maar je kunt het bovendien in jezelf in praktijk brengen. Je kunt leren, onderscheid te maken tussen een niet-denken, of ook een passief verlopend gedachteleven enerzijds en een actief in gang gezet denken anderzijds. In het actief in gang zetten van een gedachte, een begrip, vind je vroeg of laat de energie van het ik en diens vrijheid. Pas dan heb je immers het eerste deel van de zin verwerkelijkt? Het ik kan zich dus in vrijheid in gang zetten, actief worden. Deze mogelijkheid van het ik, om in vrijheid actief te worden, maakt het voor het ik mogelijk de categorie van het kennen door zelfbepaling te realiseren, te verwerkelijken. Die woorden zijn ook heel goed te begrijpen, maar wat heb je aan dat begrip? Ook dit deel van de zin wordt pas waardevol, wanneer je ertoe komt, te doen wat er staat.

Door als ‘ik’ actief te worden, door het denken in gang te zetten, wordt het mogelijk de categorie van het kennen te verwerkelijken. Zolang je passief denkt, zolang het denken uit zichzelf verloopt, zit het ik erin, het is ermee vergroeid. Het bewust in gang zetten van het denken maakt het ik pas vrij, het wordt iets, wat als innerlijke energie beleefd wordt, en wat niet zomaar als een inhoudsloos iets verloopt. Het is energie, maar het is tegelijk kennende energie. En omdat het zich losgemaakt heeft uit de directe denkinhoud, kan het die inhoud als het ware vatten, voor deze in gedachten uitloopt. Het ik kan de vaardigheid ontwikkelen, om het inhoudelijke denken steeds vóór te zijn, en zo zich zelf te bepalen, te ‘bekennen’. Maar tegelijk, wanneer het ik schouwen kan, hoe het zichzelf telkens in de activiteit geboren doet worden, weet het hierin tevens, wat het kenproces is. En het weet het niet alleen, maar het voltrekt het ook.

Een heel boek heb ik aan dit punt van het ik gewijd.[6] Ik heb dit doen geboren worden en tegelijk aanschouwen van het ik in het denken in dit boek als in een laboratoriumonderzoek beschreven – waarbij het eigen innerlijk dan het laboratorium is. Maar dan is nog pas een deel van de zin gerealiseerd. Het laatste deel brengt immers het onderscheid aan tussen de ‘relatie’ van de begripscategorieën en de overige werkelijkheid – buiten het kennen - en de relatie van de categorie van het kennen met het kennen. De overige categorieën zijn ‘noodzakelijk’ met de objecten verbonden, daarop heeft het ik geen invloed. In al het overige dan het kennen is de categorie zonder meer met het object verbonden. In het kenproces is dit niet het geval, hier is het de vrijheid van het ik – dat zich daartoe al dan niet wil opwerken – waardoor deze categorie verwerkelijkt wordt. Hier zijn object en categorie dus principieel gescheiden en worden pas verenigd, wanneer het ik dit wil. En in het ogenblik, waarin het ik dit in vrijheid tot stand brengt, is het zelf eigenlijk pas voor het bewustzijn geboren. Op dat moment is de geestelijke bewustzijnsziel verwerkelijkt. Het ik is zich niet meer alleen aan de hand van het zijnsgevoel van het lichaam bewust. Het kan zich vanaf dat ogenblik willen, het realiseert zichzelf door zich zelf te bepalen en realiseert tevens het kenproces, omdat dit een wezen van het ik is.

Op deze wijze begin je je dus actief en bewust in het kenproces te bewegen en steeds meer thuis te voelen. Wat hier energie wordt genoemd, wordt steeds meer als een reële innerlijke kracht beleefd, een willend ik, waarbij wil en ik niet meer worden voorgesteld, maar er werkelijk zijn.

Dat dit proces tevoren niet als een filosofische gedachtegang beleefd werd, maar als een mysterie, een raadsel, heeft te maken met het feit, dat je een werkelijke bevruchting tot stand brengt. Je voegt datgene, wat van nature in het intellect gescheiden is, actief bij elkaar, je brengt de categorie van het kennen bij het kennen als object en daarmee realiseer je niet alleen die categorie maar ook de geboorte van de geestelijke bewustzijnsziel: je verenigt de denker bewust met de gedachte, met het denken.

Het ontplooien van de bewustzijnsziel maakt dat de mens zich van zijn existentie bewust is. Die ontplooiing komt op een natuurlijke wijze tot stand, en geeft het ik-bewustzijn aan de hand van het lichaam. Doordat je je lichaam voelt, voel je dat je er bent. Dat brengt ook het bewustzijn van de tijdelijkheid van je existentie: het is een zekerheid, dat het lichaam zal sterven – is dan alles gestorven? Deze natuurlijke bewustzijnsziel is de grondslag voor de geestelijke, die alleen door vrijheid kan worden gerealiseerd. Je hebt dan niet meer het lichaam nodig om je zelfbewustzijn aan te hebben, je kunt het in het denken zelf in stand houden. Het zal duidelijk zijn, dat dit niet alleen een filosofische betekenis heeft, maar dat het een existentiële betekenis heeft. Je ervaart de mogelijkheid van een zelfbewustzijn los van het lichaam, waardoor je het eigen zelf als bestaand buiten de grenzen van geboorte en dood leert kennen.

Daarmee is dan tevens de kloof overbrugd, die het ik steeds tussen zichzelf en de wereld beleeft. Voorzichtig leert het ik in zich beleven dat de opgewekte energie, de kracht die het als willend en denkend ik is, dezelfde is als de scheppende kracht die in al het overige dan het ik de zin gegeven heeft en nog geeft. Aanvankelijk is ook dat het raadselachtige vermoeden, maar langzaam wordt het vermoeden tot een zekerheid. Maar dat kan niet op dezelfde manier uitsluitend in het innerlijk tot stand worden gebracht. Zou je het bij innerlijk werk laten, dan zou je slechts blijven vermoeden, dat de scheppende wil in het ik dezelfde is als in de ‘wereld’ buiten het ik.

Je hebt nu de wil in het denken verwerkelijkt. Concreet betekent dit, dat je af kunt zien van het denken in inhoud en dat je het denken kunt bewegen in de krachten van het denkproces zelf, zoals die als wil ‘onder’ de inhoud deze voortbrengt. Zolang het zieleleven – dus ook het denken – zich slechts op de ondergrond van het lichaam bewust kan zijn, heeft elk proces een inhoud nodig om dit bewustzijn in stand te houden. Wanneer de wil in het denken beweegt, is die de ondergrond geworden. Je kunt dan vrij het denken bewegen, dat een denk-wilskracht geworden is. Het is toch nog denken, want je weet heel goed dat dit ook in het inhoudelijke denken de zoekende beweging is, die je daar echter ontgaat.

Je bent dus helemaal denkwil geworden, dat is een bewustzijn van het zelf, dat het vermogen tot inzicht heeft. Dit geeft echter diepe gevoelens van eenzaamheid. Je leeft in je tot kracht geworden ik-- bewustzijn, je weet ten volle dat je er bent, dat je onafhankelijk van je lichaam existeert. Maar je mist aanvankelijk elk waarnemingsorgaan voor iets anders dan jezelf, het lijkt alsof er niets anders bestaat dan het eigen ik, al vermoedt het, dat het tevens de wereld is. Het weet nog niet, hoe het de sprong over de afgrond naar al het overige kan maken.

Je kunt dit willende ik als denkkracht meenemen wanneer je andere mensen ontmoet. Vooral in het leven van alledag en tijdens je werk kun je zo op een andere manier trachten te zijn. Omdat je je eigen denkinhoud hebt geleerd los te laten, kun je met je wevende ik-wil meegaan met de ander. Met wat die zegt, maar ook met zijn verschijning, zijn mimiek, zijn geste. Omdat je niet inhoudelijk denkt, oordeel je geenszins. Er komt helemaal geen oordeel in je op, want je volle denk-wil-energie verloopt in het meeleven met de ander. Je moet er natuurlijk telkens weer uit treden, anders zou je in compleet zwijgen vervallen, je zou alleen maar in het andere opgaan en de ander zou jouw reactie moeten ontberen. Maar dit ritme komt steeds meer vanzelf tot stand, omdat het een levensritme is, dat niet op abstracte besluiten berust. Natuurlijk gebeurt er wel wat met je – er gebeurt meer dan ooit. Want je verliest geen energie meer aan het vasthouden aan je meningen en oordelen, integendeel, alle energie wordt tot gewaarwording, die een betekenis heeft. Deze spreekt zich nu echter steeds meer buiten jouw eigen wil uit – omdat je je ik-wil overgegeven hebt aan de ‘wil van de ander’. Het is een morele daad, want je vormt je ik-wil tot ‘goede wil’. Dat is de ene zijde van de brug, die je bouwt over de afgrond. Je ervaart de verwantschap van het ik met het ‘gij’.

De andere kant van de brug komt uit de werkelijkheid van de geest. Die vind je, wanneer je je geesteswetenschappelijke denkarbeid verruimt met meditatie. Veel mensen verlangen naar het ervaren van een reële geestelijke wereld. De eerste wereld die je bij het spiritualiseren van het denken vindt, is de wereld van de eigen geest. Maar die wereld van de eigen geest zoekt aansluiting bij de Geest van de Wereld. Die uit zich niet direct als inhoud in het intellect, maar als beeld geworden denkkracht (imaginatie). In de meditatie zoek je dan eerst je denkende wil, het willende denken en vervolgens leg je als het ware hierin een beeld. Dat beeld mag geen enkele verwantschap met jouw biografie hebben – Rudolf Steiner noemt dat ‘voll überschaubar’. Dat betekent, dat er in het beeld geen elementen zitten, die tot valse imaginaties leiden kunnen, die ontstaan als er onbekende herinneringen opkomen, die als imaginaties worden geduid. Een voorbeeld van zo’n meditatie is de meditatie van het rozenkruis.

Steeds meer kun je beleven, dat de ik-wil tot schaal wordt, waarin je eerst nog zelf een bepaalde geestelijke substantie legt: de meditatie-inhoud. Door het voorbereidende werk van de spiritualisering van het denken heb je de volgende stap, die bijvoorbeeld in De wetenschap van de geheimen der ziel wordt beschreven al gezet. Je bent al helemaal gewend aan het beleven van het denken zelf, dat zo’n meditatie opbouwt. Je beleeft ze beiden: de ik-wil en de substantie die daarin gelegd wordt. De denkende ik-wil (bewustzijnsziel) neemt het geestzelf imaginerend op.

De geestelijke bewustzijnsziel is nog helemaal een beleven van het eigen ik dat zich zijn grenzen bewust wordt en in deze bewustwording aanvangt de grenzen te overschrijden. Het leeft in de morele zijde van het zelf, het denken wordt tot waarheidsbeleven, het voelen tot vermogen de schoonheid te zien als het wezen, dat in verschijning komt, en het willen wordt tot een vermogen om moreel intuïtief te leven. In die kracht van het eigen ik dat zich gereinigd heeft ontstaat een zodanige verwantschap met de geestelijke wereld, dat deze waargenomen kan worden, omdat het ik ermee doorstroomd wordt. De eerste waarneming bestaat uit dat deel van het zelf, dat geen verwantschap met de geestelijke wereld heeft. Geleidelijk ontwikkelt zich de verwantschap, en het zelf gaat met de geest buiten het zelf – dat is het hogere Zelf, het Geestzelf – een ‘huwelijk’ aan.

Het samengaan van beiden wordt zelf tot een imaginatie. Het intellect houdt niet van imaginaties, het Geestzelf kan alleen in imaginaties wetenschap bedrijven. Het beeld dat voor ons misschien als een platgetreden pad verschijnt, krijgt een reële waarde:

De kracht van het willend denkende ik is de schaal, die als Graal zijn eigenlijke substantie ontvangt.[7]

Maar wij leven niet in de tijd van de ontwikkeling van het Geestzelf, onze tijd is die van de ontwikkeling van de bewustzijnsziel. Als je een ontwikkeling vooruit neemt, trek je daarmee altijd geestelijke machten aan. Twee daarvan staan te wachten om toe te tasten, zij respecteren geen enkele vrijheid. Het zijn Lucifer en Ahriman. Die willen de Graal en zijn substantie vernietigen. Maar we hebben onze vrijheid, en als je die liefhebt, wil je slechts die geestelijke inhoud in je opnemen, die je de vrijheid doet behouden. Rudolf Steiner heeft dit Wezen uitgebeeld in zijn ‘Mensheidsrepresentant’, het indrukwekkende beeld, dat in Dornach staat.

Rudolf Steiner drukt het in zijn autobiogafie als volgt in woorden uit, als hij zijn verhouding tot Hegel beschrijft:
‘In Hegel zag ik de grootste denker van de nieuwe tijd. Maar hij was immers slechts denker. Voor hem was de geestelijke wereld in het denken aanwezig. Terwijl ik juist restloos bewonderde hoe hij aan al het denken gestalte gaf, beleefde ik toch dat hij geen gevoel had voor de geestelijke wereld die ik schouwde en die zich pas achter het denken openbaart, wanneer het denken zich krachtig maakt en tot een beleven wordt, waarvan het lichaam in zekere zin denken is en waarbij dit lichaam de geest van de wereld als ziel in zich opneemt.[8]

Was de spiritualisering van het denken een verwerkelijken van de band met Michael, zo is het ontvangen van de Geestsubstantie in de heilige Graal een verwerkelijken van de vraag van ons ik om een bevruchting met het Christus-IK van Jezus van Nazareth, zoals dit tussen diens dertigste en drieëndertigste jaar in hem woonde.

[1] Uit: M. Mosmuller,Waarom zou ik mediteren (Occident 2008)
[2] Onder intellectualiteit kan men het vermogen verstaan om door het ordenen van waarnemingen – wat door het denken gebeurt – begrippen te vinden en die met elkaar in verband te brengen, waarbij de denker zich als buiten de waarnemingen gesteld beleeft.
[3] R. Steiner,Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken V, Apokalypse und Priesterwirken (GA 346, Dornach 1997) p. 256 e.v.
[4] R. Steiner,Kerngedachten van de antroposofie (Anthroposophische Leisätze, GA 26 - Zeist 1998)
[5] R. Steiner,Waarheid en wetenschap (Zeist 1994) hoofdstuk 6
[6] M. Mosmuller,Zoek het licht dat opgaat in het westen (Occident 1984)
[7] M. Mosmuller,De heilige Graal (Occident 2005)
[8] R. Steiner, Mijn levensweg (Zeist 1993) p.269

Mediteren