Het sociale organisme

14-03-2020 Artikel van Mieke Mosmuller

Het werk van Rudolf Steiner is zo veelomvattend dat, wanneer je het leert kennen, je natuurlijk een toegang moet zoeken. Iedereen heeft natuurlijk zijn zeer speciale toegang daartoe. De een zal meer de filosofie zoeken, de ander de religieuze vernieuwing, weer iemand anders de christelijke voordrachten enzovoort. Zo is er ook het sociale organisme en de sociale driegeleding. Wanneer je enige tijd in de anthroposofie hebt gestudeerd en gemediteerd en je krijgt wat meer een overzicht over wat er allemaal is, dan komt natuurlijk geleidelijk aan het hele werk tot bewustzijn voor zover dat ooit mogelijk is. Zo is op een gegeven moment ook het sociale organisme mij bewust geworden. Het was een impuls, die heel hoopvol was, waar ongelooflijk veel werk en energie aan gegeven is. Maar in vrij korte tijd hield die toch eigenlijk alweer op, omdat Rudolf Steiner tot de conclusie gekomen was, dat het niet meer verder kon gaan, omdat het zeker niet zover gekomen was als hij gehoopt had. En hij spreekt dat in 1921 als volgt uit: 

‚De beweging van de driegeleding is in het voorjaar van 1919 begonnen in de tijd dat in het bijzonder over Midden -Europa bij grote delen van de bevolking een verwachtingsvolle stemming was uitgegoten. Deze verwachtingsvolle stemming was overigens op een heel verschillende manier uitgegoten, maar het was een stemming, ik zou het eenvoudigweg zo willen uitdrukken, dat een groot aantal van de mensen geloofden: we zijn in de chaos geworpen en we moeten door verstandige harmonisering van de sociale krachten verder komen. Deze stemming was verbreid toen ik in april 1919 met de activiteit voor de driegeleding begon. Nu, ik heb toen, vanuit de vorm die ik mijn voordrachten over de driegeleding in die tijd heb gegeven, zeer dikwijls afgesloten met de woorden, dat datgene wat bedoeld is heel snel in werkelijkheid moet worden omgezet, want het zou zeer snel te laat kunnen zijn. En deze formule, ‚het zou zeer snel te laat kunnen zijn‘ kunt u dus in de toen uitgeschreven voordrachten heel dikwijls vinden. Het was de tijd waarin men in de vorm zoals ik die geformuleerd heb iets had kunnen uitrichten, wanneer de tegenstanders niet zo sterk gegroeid waren, een zo sterke macht waren geworden. Nu ligt de zaak zo: Sinds die tijd is er in Midden-Europa een verschrikkelijke reactionaire golf opgekomen, die veel sterker is dan men denkt en men moet dat werkelijk zeer ernstig nemen. Daarmee is de driegeleding weliswaar niet als principe getroffen, dat principe is blijvend, maar zoals men die toen wilde verwerkelijken, zo kan deze niet meer verwerkelijkt worden. Wat gedacht is uit de werkelijkheid van de tijd is voor de tijd gedacht en men zou tot abstractheden komen wanneer men dit zo niet zou willen inzien. Vandaag staan we op het punt waarop gezegd moet worden: er moeten nieuwe vormen gezocht worden om uit de chaos weg te komen. Men kan niet meer in dezelfde formuleringen voor de wereld treden, wanneer men de driegeleding zelf vertegenwoordigt. In het bijzonder hebben we vandaag nodig, als het absoluut belangrijke wat weer tot een zeker licht kan voeren, hoe onbehaaglijk het ook zijn mag, om licht te doen schijnen in de gehele wereld van onwaarachtigheid die ons geestelijke leven doortrekt. We moeten licht werpen in deze onwaarachtigheid van het geestelijke leven, dat is het ene, het negatieve, en het positieve is: we moeten nu zo snel als het gaat tot verwerkelijking van het ene deel van de driegeleding komen, tot de bevrijding van het geestelijke gebied. We moeten minder abstract driegeleding bedrijven, want dat gaat niet meer in de vorm, zoals we dat in 1919 zijn begonnen. 

Vandaag is de tegenstand te sterk. Alleen in het herkennen van datgene wat nog op tijd is, ligt wat ons nog beschermen kan voor de nul, met Spengler gesproken, namelijk voor het opkomen van de ondergang. U moet er aandacht aan geven, dat het constitueren van het vrije geestesleven vereist is.‘ 

Zoals gezegd, iedereen komt op een andere plek in de geesteswetenschap binnen en ik kom daar binnen wanneer ik kennismaak met de sociale driegeleding en het sociale organisme en voor mij is het daarom van het begin af aan zo duidelijk geweest dat de nadruk moet liggen, nog steeds, een eeuw later, op het ontwikkelen van een vrij geestesleven. En in naam bestaat dat natuurlijk wel, maar in werkelijkheid bestaat dat natuurlijk niet. Je kunt spreken van een geestesleven, dat is er natuurlijk wel, de hele samenhang van wetenschap, kunst en religie, dat is het geestesleven, daar behoort ook de pedagogie toe, de geneeskunde ook in zekere zin. Maar een vrij geestesleven, daarvoor moet je teruggaan naar het grondwerk van Rudolf Steiner, naar de Filosofie der Vrijheid, waarin heel duidelijk naar voren komt dat vrijheid in het geestesleven niet betekent dat iedereen maar moet doen waar zijn begeerte ligt, of waar hij zin in heeft, en dat het ook niet betekent, dat het gevoel dat je kunt denken wat je wilt de vrijheid is, maar dat het gaat om een bewustworden van het geestesleven zelf, namelijk van het denken zelf, in zijn kwaliteit, in zijn activiteit, en dat van daaruit, wanneer dat denken bewust wordt, ook een verbinding ontstaat met de geestelijke wereld zelf, dat wil zeggen met de morele wereld en daardoor met het vermogen tot morele intuïtie, wat een verbinding is tussen het denkende wetenschappelijke element en de wereld om ons heen. Ik heb ook bij Rudolf Steiner op een gegeven moment een liefde opgevat voor de ontwikkeling van het zuivere denken en dan vind je verwijzingen naar andere denkers dan Rudolf Steiner zelf, bijvoorbeeld in Waarheid en Wetenschap de verwijzing naar die heel grote denker, naar Fichte. Later, in de tijd van de Eerste Wereldoorlog en daarna, in 1919 spreekt Rudolf Steiner over de twee grote idealisten, Hegel en Fichte. 

Hij bespreekt dan de hoge geestelijke kwaliteit van het zuivere denken dat deze idealisten bereikt hebben, maar bespreekt tegelijkertijd ook, dat vanuit dit hoge geestelijke zuivere denken, wanneer het niet met de werkelijkheid van de moraliteit in verbinding komt, iets ontstaat, wanneer zo‘n denker gaat denken over sociale verhoudingen, wat antisociaal is. Het zijn heel indrukwekkende passages in voordrachten van Rudolf Steiner in die tijd we weten dat hij een groot bewonderaar is van Fichte en van Hegel. Maar daar geeft hij duidelijk aan dat wanneer je met het reine denken niet een verbinding vindt met de wereld, wanneer je niet werkelijkheidsgetrouw dat zuivere denken kunt inzetten, dan ontstaat helemaal geen goed sociaal gedachtesysteem, maar dan ontstaat iets dat zo abstract is dat het in feite antisociaal is. Dat zijn ook waarschuwingen, dat je daaruit dan ook kunt afleiden dat je op een gegeven moment mogelijkerwijs een vermogen vindt om in een creatief zuiver denken te denken, dat dat nog helemaal niet wil zeggen dat dat denken ook met de wereld kan leven. Dat is toch een heel bijzondere kwaliteit die ontstaat in het zuivere denken, wanneer dit werkelijk het niveau van de geest bereikt en dan daar de directe verbinding heeft met de wereld van de morele idee. De wereld van de morele idee vind je in de wereld van de werkelijkheid, als vraag zou je kunnen zeggen, en dan komt die verbinding tot stand. 

Bij Rudolf Steiner is het dan zo, dat je vanaf de allervroegste werkzaamheid voor de theosofische vereniging ziet, dat hij vanuit een beeld van de kosmos en de mens spreekt, dat driegeleed is. Dat vind je in de vroege naschriften van de voordrachten uit die tijd in de esoterische uren. Alleen zegt hij dan nog niet: de mens is een driegeleed wezen, zover is het dan nog niet, maar hij spreekt wel steeds over de drie Logoi, over de Vader, de Zoon en de heilige Geest en over het denken, voelen en het willen. Dus op zich is de driegeleding van mens en kosmos al vroeg in zijn openbare werkzaamheid te vinden. 

Maar bij de Weihnachtstagung zegt hij dan, dat tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog bij hem de ontwikkeling zover was dat hij dat ook werkelijk in het volbewuste kennen kon vormgeven en dat zich dat uitstrekte tot de kennis van de driegeleding van het menselijke lichaam. Dat is voor het eerst gepubliceerd in het boekje: ‚Von Seelenrätseln‘. Daarin komt een korte passage voor waarin duidelijk maar kort wordt uitgelegd: De mens heeft een lichaam en dat lichaam is driegeleed, heeft een zenuwzintuigpool met daartegenover een stofwisselings-ledematen pool. De evenwichtbrenger tussen die twee uitersten vinden we in het ritmische systeem, in hart en longen. 

Dat zijn inzichten die je, wanneer je geneeskunde gestudeerd hebt en inmiddels al jarenlang actief werkt, als een soort van goddelijk inzicht beleeft, omdat je tegelijkertijd echt wel weet dat het waar is, daar heb je verder niet veel voor nodig. Want je hebt het natuurlijk eigenlijk altijd al wel gezien dat het zo was, maar er is nooit iemand geweest die het zo benoemd heeft. En wanneer dat door Rudolf Steiner tot stand komt, dan is dat iets wat een geweldige verlichting teweeg brengt. Zenuwzintuig pool, ritmisch systeem en de stofwisselings-ledematen pool. Het driegelede organisme van het menselijk lichaam. En het is dan duidelijk dat je niet kunt zeggen dat daar een soort douane tussen de verschillende gebieden ligt, waar je de grens hebt, waar je dus niet overheen kunt, maar het is zo dat het een in het ander doorwerkt, maar minder op de voorgrond. Er zitten natuurlijk ook bloedvaten in de zenuwzintuig pool en zenuwen in de stofwisselings-ledematen pool. Maar die hebben een meer achtergrond of een ondersteunende werking en zijn niet de hoofdzaak. Daar kun je je natuurlijk meditatief in leren verdiepen en daarin spelen dan bijvoorbeeld de voordrachten voor de leraren een heel grote rol. Rudolf Steiner heeft dat is ook die tijd, 1919, heel veel energie gegeven aan het opleiden van de leraren van de Waldorfschule, waar een nadruk lag op de algemene menskunde vanuit de anthroposofie. Je vindt dan in dat boek, maar ook in andere cycli daaromheen oefeningen om je met die driegeleding van het menselijk lichaam vertrouwd te maken. Je kunt er meditatieve oefeningen vinden waarbij je je op de buitengewoon gedifferentieerde kwaliteit van de hersenen richt en je dan probeert om de zenuwbanen in de voorstelling te vervolgen naar beneden toe en dan gewaar te worden, terwijl je dat met een zekere werkelijkheid probeert uit te voeren, dat de specificiteit van het zenuwstelsel naarmate je verder van de hersenen weg komt, steeds minder wordt – je ziet hier eigenlijk de grootste differentiatie en naarmate je naar beneden gaat wordt dat minder gespecificeerd. Je kunt het in anatomieboeken eigenlijk ook zien, daarom zeg ik: Je hebt het eigenlijk altijd al gezien, maar niet beseft dat het dat betekent. En zo is aan de andere kant natuurlijk de wilspool een nog nauwelijks gedifferentieerd deel van het menselijk lichaam. En dat is een wezensdeel voor het wilsleven van de mens. Zo wordt dat vergeleken, het denkleven en het wilsleven. Hoe het denken uit het voorgeboortelijke komt en de wil naar het leven na de dood verwijst. Hoe het ritmische gebied daar pulserend en ademend tussen ligt. Dat is wat Rudolf Steiner bij de Weihnachtstagung zegt en dat is eigenlijk nog nieuw, min of meer. 

Dat is na een jaar of tien voor hemzelf echt volledig in de bewuste ‚Erkenntnis‘ gekomen zo dat hij het heeft kunnen opschrijven. En wanneer je dan met een spiritueel denken, voelen en willen, zoals Rudolf Steiner dat had, en met deze inzichten naar de wereld om je heen kijkt, zoals hij dat deed, dan kun je je voorstellen dat je daarin niet een of ander chaotisch ongevormd organisme ziet, maar dat je ook daar een geleed organisme ziet, dat je ook daar een structuur ziet, waar men zich weliswaar niet aan houdt, maar die wel heel duidelijk te beleven valt. Je kunt dan zeggen: In de oudheid was er nog een natuurlijke drang, een natuurlijk weten in de mens om zich aan deze geleding te houden, een ‘wijsheidspool’ bij laten we zeggen de brahmanen, een ‚dapperheidspool‘, de staat met het hele verdedigingsapparaat en dan het gebied van de handel en de handenarbeid als derde en het vierde. Dat is heel lang ook als het zo niet genoemd wordt de structuur van het sociale organisme geweest. 

Denkt u aan de Middeleeuwen. Misschien kent u de opera van Wagner, ‚Die Meistersinger von Nürnberg‘. Wat daarin heel sterk naar voren komt is de derde stand. Op het Johannesfeest maken de gilden hun opwachting die met een enorme feestelijke verering worden ontvangen. Elk gilde wordt ontvangen, de kleermaker, de schoenmaker, de bakker... Je voelt een hele aura daaromheen, het wezenlijke van het Gilde treedt op, dat wat het gilde te betekenen had. 

In het werk van Rudolf Steiner, in de ‚Kernpunkte der sozialen Frage‘, wordt in het eerste hoofdstuk een heel stuk gewijd aan het verlies van die Aura van het Gilde van de arbeider. Hij zegt het daar zo niet, maar daar komt het wel op neer. De oude indeling in de arbeidersklasse lag in een heel bijzondere hiërarchie. Je had de leerling, de gezel en de meester en dat was niet de arbeider aan de lopende band. Er was ook een religieus, geestelijk, kunstzinnig leven mee verbonden. In de opera van Wagner zie je de schoenmaker Hans Sachs, die een meester is in zijn vak, maar ook in het lied. In de vertegenwoordiging van die liedkunst, daar zie je zijn grootsheid. Het is geen gewone arbeider, het is een buitengewoon ontwikkeld man, die heel veel wijsheid heeft, waar de mensen niet alleen naar toe gaan om schoenen te laten maken, maar ook om mee te praten en hun vragen te stellen, hun kwellingen te vertellen. Hij is dan ook Meistersinger, hij beheerst de kunst van het lied. Dat is een heel gebeuren. 

We hebben nog resten daarvan, in de oertijd van ons eigen leven. Dat gevoel heb je soms wel, als je eens terugkijkt naar de jaren vijftig, in bijvoorbeeld Amsterdam. Daar kwam toch echt iedere dag de bakker met een bakfiets en het verse brood aan de deur. Al die trappen werden voorzien van vers brood! Een wat moderner wagentje kwam met melk en yoghurt en zo en de groenteman kwam ook. Ze kwamen door de straat. Dan de voddenman die zich luidkeels bekendmaakte, dat je hem iets kon geven als je dat wilde... Dat is een soort traditie van wat er in dat gilde in de stad ooit geweest is, de laatste uitlopers in het stadsleven. 

Nu ga je misschien naar het internet en bestel je je brood en groente. Dan kun je het afhalen of het wordt bezorgd, of je gaat nog naar de winkel. Maar het is een totaal ander levensgevoel, wat we in onze tijd hebben. 

Rudolf Steiner beschrijft als de tijd van het hoogtepunt van het materialisme het midden van de 19e eeuw. Hij beschrijft dat in verschillende opzichten, dus met het oog op verschillende processen die zich afspelen. Maar in die tijd verschijnt ook het grote werk van Karl Marx: Das Kapital. Het is ook de tijd waarvan Rudolf Steiner beschrijft dat Michael in de hemel vecht met de geesten van de duisternis, die tenslotte op de aarde gestoten worden. Het is ook de tijd dat Christus in de etherische wereld een vorm van dood, een verstikkingsdood doormaakt door de materialistische gedachten van de overledenen. Het is een heel heftig materialistisch gebeuren. Karl Marx was een hele goede denker, die geschoold was in het werk van Hegel, heel sterk geschoold in de dialectiek, maar die tegelijkertijd de idee van de Franse revolutie had opgenomen, niet zozeer misschien de Franse revolutie, maar de revolutionaire Franse geest. En alles is eigenlijk in dit opzicht buitengewoon interessant, wanneer je dan in de karmavoordrachten leest wat Rudolf Steiner over Karl Marx zegt. U weet het misschien, maar ik lees het u toch maarvoor: 

‚Uit bepaalde bijzondere verhoudingen werd mij duidelijk, doordat de blik op bepaalde gebeurtenissen werd gericht, die in het noordoosten van Frankrijk zich afspeelden, zich afspeelden ook in de achtste en negende eeuw, heel bijzondere gebeurtenissen. Het was een tijd waarin nog niet de grote staatsvormen bestonden en wat er gebeurde, dat gebeurde meer binnen kleine kringen van de mensheid. Daar had een persoonlijkheid met een heel energiek karakter een zeker groot bezit juist in het gebied dat we nu Noordoost Frankrijk zouden noemen. Deze man beheerde het bezit op een buitengewoon geordende wijze, op een voor die tijd buitengewoon systematische wijze zou ik willen zeggen: hij wist wat hij wilde en het was een merkwaardige mengeling van een doelbewuste mens en een avonturier, zodat hij met meer of minder succes kleine oorlogstochten maakte vanuit zijn eigen land, met mensen die zich zoals dat in die tijd gewoon was als soldaat daarmee verbonden. Het waren dus kleine legertjes en daarmee trok men erop uit en probeerde het een of het ander buit te maken. En met een schare van zulke soldaten trok de betreffende van het noordoosten van Frankrijk uit. Nu ging het zo, dat een andere persoonlijkheid, die iets minder avonturier was dan hijzelf, maar ook heel energiek, gedurende de afwezigheid van de eigenaar van het landgoed in die tijd kon zoiets gebeuren – dit landgoed en het gehele bezit bemachtigde. Toen de betreffende naar huis kwam, hij was alleenstaand, kwam hij erachter dat een andere bezitter de macht had genomen over zijn landgoed. De verhoudingen ontwikkelden zich toen zo, dat de betreffende niet tegen de huidige bezitter optrok, hij was de machtigere, hij had meer mannen, wat meer soldaten om zich heen, dus hij trok niet tegen hem op. Nu waren de dingen in die tijd niet zo dat men, wanneer men zijn thuis niet kon verlaten, men meteen weer wegtrok. Deze persoonlijkheid was weliswaar een avonturier, maar hij was toch ook weer niet zo snel in staat om weer weg te trekken. En dus werd hij met een schare van aanhangers zelf een soort lijfeigene op zijn eigen vroegere bezitting. Hij moest als een lijfeigene werken met een schare van diegenen die met hem op avontuur waren gegaan, terwijl in die tijd hem zijn eigendom ontnomen was. Nu gebeurde het dat bij al de mensen die daar lijfeigene waren geworden, terwijl ze vroeger de heren waren, een heel bijzondere, ik zou willen zeggen tegen het heersersprincipe gerichte gezindheid ontstond. En in deze gebieden die bebost waren, laaide in meerdere nachten het vuur op, waar men samen was en men allerlei samenzweringen besprak tegen diegene die zich het eigendom had verworven. Het was zo, dat de betreffende, die dus van grootgrondbezitter een lijfeigene, een slaaf geworden was, zijn verdere leven ermee vulde afgezien van wat hij moest werken, om plannen te smeden, hoe men weer tot het bezit en het eigendom zou kunnen komen. Men had een hekel aan hem die het eigendom had bemachtigd. 

Nu, ziet u, deze beide persoonlijkheden van toen, maakten in de geestelijke wereld tussen dood en de geboorte dat allemaal mee, wat sinds die tijd nu eenmaal meegemaakt kon worden, en kwamen in de 19e eeuw weer op aarde. Diegene die het huis en hof verloren had en tot een soort van lijfeigene, tot slaaf geworden was, verscheen als Karl Marx, de grondvester van het socialisme. En de andere, die toen zijn goed afgenomen had, verscheen als zijn vriend Engels. Wat ze in die tijd met elkaar hadden uitgemaakt dat vormde zich om gedurende de lange weg tussen de dood en een nieuwe geboorte in de drang om datgene wat ze elkaar hadden aangedaan weer in evenwicht te brengen. En als u leest wat zich tussen Marx en Engels heeft afgespeeld, alles leest wat de bijzondere geestelijke configuratie van Karl Marx is en u houdt dat dan samen met wat in de achtste, negende eeuw diezelfde individualiteiten op aarde geweest zijn, zoals ik het u heb verteld, dan zal, zou ik willen zeggen, op elke zin bij Marx en bij Engels een nieuw licht vallen en u zult niet in gevaar komen om op een abstracte wijze te zeggen: het ene is door dit in de geschiedenis veroorzaakt, het andere is door dat veroorzaakt, maar u zult zien: bij de mensen die iets door dragen in een andere tijd dat dat wel heel anders verschijnt maar dat dat toch weer een zekere gelijkenis vertoont met het vroegere.‘ 

Je ziet dan dat een dergelijke impuls die daar ontstaat, een enorm effect heeft gehad. Het is iets wat eigenlijk in het persoonlijke leven zich heeft afgespeeld, maar wat dan een zeker algemeen iets geworden is, dat dan in het volgende leven als het ware zich ertoe dringt om tot een vergelijk te komen en dat wordt dan de sociale revolutie. Dat is iets enorms, wanneer je daarin kunt geloven. Je kunt natuurlijk ook zeggen: wat een onzin. Maar wij gaan hier uit van de waarheid ervan, omdat we thuis zijn geraakt in de samenhang der gedachten in het werk van Rudolf Steiner. Dan is het schokkend en stemt tot nadenken over hoe dat gaat van de ene incarnatie in de andere. 

In de voordrachten voor de priesters over de Apocalyps spreekt Rudolf Steiner over de opkomst van Sorat in de 20e eeuw en geeft dan aan dat het bolsjewisme een van de uitingen van dit verschijnen is – je moet het niet gering nemen. Natuurlijk is het bolsjewisme nog weer iets anders dan het socialisme, maar het is daarmee wel in samenhang.
In de tekst die ik voor de flyer en op de website had gekozen, staat een stukje tekst waarin Rudolf Steiner zegt dat het socialisme zonder driegeleding direct het antisociale uitlokt in plaats van wat het socialisme zou willen. Er ligt natuurlijk een oprechte grond ten grondslag aan het socialisme, maar het inzicht in de sociale structuur zoals die in het mensenbestaan is, dat inzicht ontbreekt en daardoor wordt dat, wat mogelijk goed bedoeld is, dan toch boos. 

Er zijn bij mij in de voorbereiding van deze avond en dit weekend heel wat herinneringen uit mijn jeugd opgekomen, zo ook bijvoorbeeld de radionieuwsdienst, ‘s morgens om 8:00 uur, van de VARA, met daarvoor altijd de Internationale. 

De gezongen versie, zoals die in de vertaling van Henriette Roland Holst te vinden is op You Tube1, werd afgespeeld. Daarna werd de tekst voorgelezen. 

De tekst van de Internationale, in de Nederlandse vertaling van Henriette Roland Holst (1899). De originele Franse tekst is van de Franse communist Eugène Pottier uit 1871. 

Ontwaakt! Verworpenen der Aarde
Ontwaakt! verdoemd in hong‘ren sfeer
Reed‘lijk willen stroomt over de Aarde
en die stroom rijst al meer en meer
Sterft, gij oude vormen en gedachten
Slaaf geboor‘nen, ontwaakt! ontwaakt!
De wereld steunt op nieuwe krachten
begeerte heeft ons aangeraakt 

Makkers! ten laatste male
tot de strijd ons geschaard
en de Internationale
zal morgen heersen op Aard‘
De staat verdrukt; de wet is logen de
rijkaard leeft zelfzuchtig voort

Tot ‘t merg wordt d‘arme uitgezogen
en zijn recht is een ijdel woord
Wij zijn ‘t moe naar and‘rer wil te leven
Broeders! hoort hoe gelijkheid spreekt:
Geen recht waar plicht is opgeheven
geen plicht leert zij waar recht ontbreekt 

Makkers! ten laatste male
tot de strijd ons geschaard
en de Internationale
zal morgen heersen op Aard‘ 

De heersers door duivelse listen
bedwelmen ons met bloed‘gen damp
Broeders! strijdt niet meer voor and‘rer twisten
breekt de rijen hier is uw kamp
Gij die ons tot helden wilt maken o!
Barbaren denkt wat gij doet
Wij hebben waap‘nen hen te raken,
die dorstig schijnen naar ons bloed 

Makkers! ten laatste male
tot de strijd ons geschaard
en de Internationale
zal morgen heersen op Aard.‘ 

Dat is wat Rudolf Steiner in de ‚Kernpunkte der sozialen Frage‘ uiteenzet, dat het een verkeerd begrip is voor de verlangens van de arbeider. Dat de arbeider in feite in de nieuwe tijd dat kwijt is geraakt wat de handwerker in de tijd van Hans Sachs nog had: en alle hoop en geloof in de geest. De burger, de edelman, de edelvrouw die hebben dat nog. In de tijd dat deze sociale revolutie opkomt, is de gegoede klasse nog ingebed in een zekere geestelijk leven maar de arbeider moet het zonder dat doen en het economische leven is eigenlijk de enige maatstaf die ze nog kennen en dit wordt dan ook tot een extreem enige maatstaf. Het wordt het strijddoel, het gaat uiteindelijk alleen maar om arm en rijk en niet om datgene wat het geestesleven brengen kan. De geestelijke pool is afgevallen en dat wordt niet erkend. Rudolf Steiner heeft natuurlijk lesgegeven aan een ‚Arbeiterbildungsschule‘ en heeft heel grote interesse gevonden bij de arbeiders voor alles wat hij te brengen had. Maar de leiders kwamen erachter en die wilden dat niet. Hij moest toen gaan... En ook later, is het eigenlijk weer zo gegaan. Hij had met zijn sociale driegeledings-beweging behoorlijk vat op het begrip van de arbeiders zelf, maar de leiders wilden het niet. Van boven af is dan eigenlijk toch weer alles onderdrukt.
De sociale driegeleding, het sociale organisme wil zeggen: een vrij geestesleven, een rechtsleven in gelijkheid en een economisch leven in broederlijkheid. Het is niet een kunstmatige driedeling van een geheel, maar moet worden gezien als werkelijk drie op zichzelf staande geledingen in het sociale organisme. En die moeten elk daar, waar ze levend zijn, tot hun recht laten komen. De manier waarop dat door Rudolf Steiner in 1919 als aan de tijd gezien werd dat zegt hij dan zelfhad al heel snel moeten inburgeren en dan had het een succes kunnen worden. Maar omdat dat niet tot stand kwam, was eigenlijk in 1921 al de conclusie: het gaat niet, het lukt niet en waar het nu op aankomt, is de bevrijding van het geestesleven. 

Wanneer we dan in onze tijd kijken, dan zie je hoe het geestesleven in zijn geheel gevangen gezet is in het staatsbestel, wat dan vervolgens weer heel sterk zijn impulsen uit het economische haalt. Dus datgene wat Rudolf Steiner gezien heeft als een noodzaak, namelijk de erkenning dat drie afzonderlijke werelden in het sociale organisme tot hun recht zouden moeten komen, dat zie je in onze tijd in een hopeloze knoop geraakt. Je kunt je wel afvragen: hoe zou die ontward moeten worden, welke vorm zou de sociale driegeleding dan nu in deze tijd moeten krijgen? Als er een kans zou komen zoals toen in 1919 om in een nieuw bestel te komen, hoe zou dat dan in onze tijd vorm moeten worden gegeven? Maar wat in elk geval boven water blijft is het hoofd van de mens, het Vrije Geestesleven. Dat is iets wat vraagt om in de eerste plaats een erkenning en een onderzoek en een antwoord op de vraag: Wat is nu precies het Vrije Geestesleven? 

Ik citeer uit: ‚De gebeurtenis van de verschijning van Christus in de etherische wereld.‘ Dit zijn voordrachten die veel eerder gehouden zijn dan dat de sociale driegeleding ontplooid werd. 

‚De mens kan voelen hoe meer hij zich vervolmaakt, dat de Heilige Geest uit zijn eigen innerlijk in die mate spreekt als het denken, voelen en willen van de mens doordrongen is met deze Heilige Geest, die door een splijting, door een vermenigvuldiging ook een individuele geest is in iedere afzonderlijke mensenindividualiteit. Daardoor is deze Heilige Geest voor ons mensen met betrekking tot de toekomstige ontwikkeling van de geest de ontwikkeling tot de vrije mensenziel. De Geest van de vrijheid werkt in de geest die zich uitgegoten heeft over de eerste begrijpenden van het christendom, op het eerste christelijke Pinksterfeest, de Geest van wie de belangrijkste eigenschap door Christus zelf wordt aangeduid: u zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken. Vrij worden kan de mens slechts in de geest. Zolang hij afhankelijk is van datgene waarin zijn geest als in zijn lichamelijkheid woont, zolang blijft hij slaaf van deze lichamelijkheid. Vrij kan hij alleen worden wanneer hij zich in de geest weervindt en uit de geest de heer wordt over datgene wat in hem is. Vrij worden betekent zich als geest in zichzelf vinden. De ware geest waarin wij ons vinden kunnen is de algemene mensengeest die we als de in ons met Pinksteren intrekkende kracht van de Heilige Geest erkennen, die we in onszelf tot geboorte moeten brengen, tot verschijning moeten laten komen. En zo verandert voor ons het pinkstersymbool zich in het geweldige ideaal van de vrije ontwikkeling van de mensenziel tot de in zich besloten vrije individualiteit.’ 

Den wirkenden Geist an die Stelle des gedachten setzen heißt, in dieser Zeit die soziale Grundforderung empfinden.2 

Dan komt het erop aan dat het onderscheid tussen de werkende geest en de gedachte geest, dat we dat eindelijk leren beleven. Dat je leert beleven dat de geest in het gewone gedachte leven niet werkend is, zelfs niet bij Hegel en Fichte. Dat wij iets met het denken moeten doen om het zo ver te brengen dat de gedachte geest wordt tot de werkende geest. Een geest die niet alleen maar afspiegelt, maar die echt productief is. Dan kunnen we ook zelf leren onderscheiden dat er ook een zelfstandig, op zichzelf staand rechtsleven moet zijn wat los is van de economie en wat ook in zekere zin vrij is van het geestesleven, al haalt het daaruit natuurlijk wel de inspiratie, zoals het hart en de longen ook zenuwweefsel bevatten, ze kunnen niet zonder. En dan een derde gebied van het economische leven, dat op zich zelf zou moeten staan, niet bepaald door de staat en door het geestesleven alleen geïnspireerd, maar een economisch leven waar de gegevenheid die de natuur schenkt, wat de natuur aan gaven schenkt, dat wat de mens aan behoeften heeft en dat wat er aan mogelijkheden van productie is, dat dat bepaalt wat het economische leven is. 

We hadden voor deze dagen ons voorgenomen om dan bij uitstek nog een keer het vrije geestesleven te beschouwenhoewel we dat hier in Rotterdam al vele jaren doen, maar dan niet met het oog op de sociale driegeleding we wilden dat nu nog eens een keer echt heel uitgesproken doen juist wel met het oog op de sociale driegeleding. Er mag dan een werkelijke vrijheid van het geestesleven verwacht worden, wanneer de idee van de driegeleding van het sociale organisme zal doordringen. Zoals een mens, wanneer je die bekijkt, niet in het lichaam overal precies hetzelfde is, alsof het een houten pop is waar alles hetzelfde is, behalve vorm. De mens is in drie geledingen burger van drie verschillende werelden. Met het hoofd tot in de vaste sterren, met het hart tot in het planetensysteem, de zon, en met de voeten op de aarde. Drie geledingen, drie werelden, drie van elkaar afzonderlijke werelden. Daarin moeten we ons verdiepen wanneer we vat willen krijgen op die wonderbaarlijke sociale driegeledings-idee van Rudolf Steiner, die natuurlijk toch nog helemaal niet zo makkelijk tot in de details te vatten is. Er zijn een aantal voordrachtenbundels over, waardoor je kunt worden opgewekt om daar steeds verder in door te dringen. De sociale driegeleding hebben we nu als thema. We gaan ons nu eerst in het geestesleven verdiepen, morgen, maar dan vanuit het sociale gezichtspunt. We leven in de tijd van de bewustzijnsziel en de bewustzijnsziel wil zichzelf werkelijk bewust worden en wil ook alle kennis die zij opdoet in het bewustzijn brengen. Niet zo, dat je wanneer je een anatomieplaat ziet eigenlijk wel weet dat de mens een driegeleed wezen is, maar we willen bewust worden, we willen alles echt helemaal tot in het heldere bewustzijn brengen. We willen ons vervolmaken; we willen in het vrije geestesleven streven naar de Geest der Waarheid, we willen in het rechtsleven streven naar de Geest van de gelijke menselijke rechten; en in het economische leven willen we streven naar een leven in broederlijkheid met de medemens. 

Als contrast met de ‚Internationale‘ wil ik afsluiten met de laatste vier minuten muziek uit de Negende Symfonie van Beethoven. Ook een Internationale, maar met een heel andere gemoedsbeweging. De tekst van de gezongen muziek is afkomstig van Friedrich Schiller, het is het gedicht: Ode an die Freude, een loflied op de vreugde, de vriendschap en de broederlijkheid: Alle mensen worden broeders! De vreugde kun je zien als de vrije geest, de vriendschap als de gelijke harten en de broederlijkheid leeft in de onderlinge zorg voor welstand. 

De muziek wordt beluisterd. Na afloop:
U weet misschien dat Rudolf Steiner in zijn studententijd een formulier heeft ingevuld waarin hij zijn voorkeuren moest aangeven: Eten: Frankfurter Wurst; Drinken: Cognac; Muziek: Beethoven. 

Hier volgt nog de oorspronkelijke Duitse tekst van de Ode an die Freude van Friedrich Schiller: 

O Freunde, nicht diese Töne!
Sondern laßt uns angenehmere anstimmen
und freudenvollere!
Freude, schöner Götterfunken,
Tochter aus Elysium,
Wir betreten feuertrunken,
Himmlischer, Dein Heiligtum!
Deine Zauber binden wieder,
Was die Mode streng geteilt;
Alle Menschen werden Brüder,
Wo Dein sanfter Flügel weilt.
Wem der große Wurf gelungen,
Eines Freundes Freund zu sein,
Wer ein holdes Weib errungen,
Mische seinen Jubel ein!
Ja, wer auch nur eine Seele
Sein nennt auf dem Erdenrund!
Und wer‘s nie gekonnt, der stehle
Weinend sich aus diesem Bund.
Freude trinken alle Wesen
An den Brüsten der Natur;
Alle Guten, alle Bösen
Folgen ihrer Rosenspur.
Küsse gab sie uns und Reben,
Einen Freund, geprüft im Tod;
Wollust ward dem Wurm gegeben,
Und der Cherub steht vor Gott!
Froh, wie seine Sonnen fliegen
Durch des Himmels prächt‘gen Plan,
Laufet, Brüder, eure Bahn,
Freudig, wie ein Held zum Siegen.
Seid umschlungen, Millionen.
Diesen Kuß der ganzen Welt!
Brüder! Über‘m Sternenzelt
Muß ein lieber Vater wohnen.
Ihr stürzt nieder, Millionen?
Ahnest Du den Schöpfer, Welt?
Such‘ ihn über›m Sternenzelt!
Über Sternen muß er wohnen. 

___________________

1 https://youtu.be/-1xPcVS169Y
2 De werkende geest in de plaats van de gedachte geest zetten betekent: in deze tijd de sociale grondeis gewaarworden. 

Verwijzingen:
Rudolf Steiner, GA 342, p. 202 e.v
Rudolf Steiner, GA 236, p. 20 e.v.