Afscheid van de anthroposofische vereniging

14-06-2016 Artikel van Mieke Mosmuller
Afscheid van de anthroposofische vereniging

Vaak wordt mij gevraagd waarom wij geen lid zijn van de antrophosofische vereniging. Begin 2016 werd mij deze vraag weer gesteld door de redakteur van het Zwitserse tijdschrift 'Ein Nachrichtenblatt'; of ik daar ooit wel eens over heb geschreven, of er misschien nu iets over wilde schrijven? Hij zou het artikel dan publiceren. Ik heb een poging gewaagd om het hele proces te beschrijven, heb het artikel lange tijd laten liggen - en wilde het uiteindelijk toch niet publiceren. Onder vrienden moet dit echter wel mogelijk zijn....

Toen ik het werk van Rudolf Steiner leerde kennen was dat voor mij liefde bij de eerste kennismaking. Ik heb er geen twee bladzijden over gedaan - ik las als eerste boek de Theosofie - om te beleven dat dit de ontmoeting van mijn leven was. Waarop die vurige liefde, die daar in nog geen twee bladzijden oplaaide, berust, heb ik uitvoerig beschreven in mijn boek Der lebendige Rudolf Steiner.

Datgene wat deze individualiteit de mensheid gebracht heeft - en nog brengen zal - was de bron van dit vurige enthousiasme en de liefde voor het werk van Rudolf Steiner.Aanvankelijk was het alsof er een poort naar een andere wereld openging, maar in de loop van de jaren voelde ik de hand die gereikt wordt om zelf in die andere wereld binnen te treden. De intensieve studie van de anthroposofie, maar vooral de beleving daarvan, leidde ertoe dat ik de individualiteit van Steiner steeds beter leerde kennen, maar ook de verschijning van deze individualiteit op aarde in de persoon van Steiner. Dat geldt ongetwijfeld voor alle anthroposofen die met hart en ziel de anthroposofie erkennen. Het steeds beter leren kennen van de persoonlijkheid van Rudolf Steiner aan de hand van zijn werk - de anthroposofie - maar natuurlijk ook aan de hand van alle beschrijvingen van tijdgenoten, ook kritische beschrijvingen, leidde ertoe dat ik een persoonlijkheid heb leren kennen die door zijn diepgaande schouwen in de geestelijke wereld er blijk van heeft gegeven dat hij zelf aan alle regels, die bestaan voor het komen tot de verlichting en de inwijding en tenslotte tot het doorzien van de verschillende incarnaties, zowel in de zin van de ontwikkeling van het kenvermogen als ook in de ontwikkeling van het beleven van de ziel en de ontwikkeling van de moraliteit, heeft voldaan.

Daarnaast bestaat er de 'Gesamtausgabe' met de geschreven boeken en de gesproken voordrachten, waarbij het verbluffend is om te bemerken dat zelfs de in de tijd ver van elkaar liggende uitspraken over een soortgelijk thema altijd met elkaar in harmonie zijn - ook al kan er een schijnbare tegenspraak bestaan. Die tegenspraak bewijst zich altijd als schijnbaar, als tijdelijk. Bij een dieper nadenken en een je verdiepen in het thema vind je een indrukwekkende samenhang. Je moet natuurlijk wel in begrippen kunnen denken, in grotere samenhangen, en niet bij elk detail dat je teleurstelt ontmoedigd raken. Maar juist die grote samenhang bewijst dat hier een mens vanuit een bron, waarin het geheel van zijn geestelijke werk als een totaliteit besloten lag, geschreven en gesproken heeft. De verschillende werken zijn de verschillende stralen die uit die bijzondere bron gedifferentieerd naar buiten zijn gekomen. Het is geen oppervlakkig werk dat hij heeft gebracht, ook geen verzameling van minutieuze details die hij in een scherpzinnige constructie zo bij elkaar heeft gebracht, dat de illusie ontstaat van een omvattende geesteswetenschap. Een dergelijke mening kan alleen iemand hebben, die zelf volledig aan de oppervlakte blijft met de gedachten die hij vormt en die het met de waarachtigheid niet al te nauw neemt.

MiekeMosmuller_jung
Mieke Mosmuller ten tijde van het afscheid

Aan de hand van het werk van Rudolf Steiner ontdek je in de loop van de jaren een geesteswetenschap die onbeschrijflijk gedetailleerd is, maar die wat deze details betreft toch voortkomt uit een eenheid van schouwen. Langzamerhand daardoor tevens tot een gedifferentieerde beleving van het wezen en de persoonlijkheid van Rudolf Steiner gekomen, kwamen voor mij daaruit twee duidelijke inzichten voort. Het eerste inzicht is: Steiner is weliswaar een, om het in oude termen te zeggen, spirituele meester, maar dan een meester van het Avondland, van Europa. Maar anderzijds mogen we hem niet als een God verheerlijken.

In 2005 hield S. O. Prokofieff een voordracht in het Iona gebouw in Zeist. Ik ben daar niet bij aanwezig geweest, maar ik heb de gepubliceerde tekst gelezen en ben geschokt over het feit dat de anthroposofen daar worden opgeroepen om de individualiteit van Rudolf Steiner te vereren als was hij hun hogere ik. Dat moet voor Rudolf Steiner iets ondraaglijks zijn, voor de man die zei: Ik wil niet vereerd worden, ik wil begrepen worden!

Dat is het tweede zekere inzicht dat ik heb verworven: dat Rudolf Steiner zijn geesteswetenschap overdraagt aan mensen die deze alleen maar zouden moeten aannemen op grond van het in henzelf levende vermogen tot erkenning van de waarheid, de geldigheid en de consistentie ervan. Alle andere aanvaarding moet Steiner afwijzen, want die zou het door hem zo helder beschreven principe van de vrijheid beschamen.

Samenhangend met deze twee inzichten is er een derde en dat is: wil een menselijk wezen zo ver in zijn kenvermogen ontwikkeld zijn als we dat bij Rudolf Steiner hebben gevonden, hebben kunnen doorschouwen, dan hoeven wij hem niet als een heilige te vereren, maar dan weten we wel uit eigen inzicht dat deze mens, om zover te komen, zichzelf in zijn meningen, zijn subjectiviteit en zijn eigenzinnigheid totaal heeft moeten overwinnen.

Voor mij waren en zijn er nog steeds derhalvetwee pijlerswaardoor de anthroposofie voor mij goud waard is. De eerste is de consistentie van de inhoud, waardoor het door mij beleefde waarheidsgevoel van het allereerste moment af vervolgens in de loop van de jaren alleen maar steeds weer is bevestigd. De tweede pijler is de morele ondergrond waarop deze wetenschap rust. Dat is iets wat in de natuurwetenschap helemaal niet nodig is. Natuurwetenschap bedrijf je met een zo glanzend mogelijke intelligentie en de moraliteit speelt hierbij geen rol. Maar de geesteswetenschap kan slechts worden verworven op de grondslag van een ontwikkelde vrije moraliteit. Dat is in De filosofie van de vrijheid filosofisch uiteengezet, maar in het boek De weg naar hoger inzicht wordt dit heel concreet, doordat minutieus beschreven is waardoor de helderziende gaven tot ontwikkeling komen. Het is de vorming van een fijnzinnige wijdvertakte moraliteit.

Zo verwachtten wij, mijn man en ik- ik was nog jong, 33 jaar - bij ons toetreden tot de anthroposofische vereniging in een kring van mensen te komen, waarin het besef van deze twee pijlers voor de anthroposofie ontwikkeld was. Dat niet alle mensen geesteswetenschapper konden zijn, dat niet alle mensen een hoge morele ontwikkelingsstandaard konden hebben, is natuurlijk duidelijk. Maar ik verwachtte in elk geval het streven daarnaar, ik verwachtte toe te treden tot een vereniging van mensen die als een spirituele broederschap het meest waarachtige, het schoonste en het beste samen wilden zoeken en delen. In plaats daarvan werd er bij de toetreding onaangekondigd een soort ontgroening toegepast - daarvoor was ik juist weer te oud. In een studentenvereniging weet je tenminste dat je dat te wachten staat. Er werd ons duidelijk gemaakt dat we niet werden verwacht, dat we niet gewenst waren, dat we niet pasten in het geheel, dat we een lange weg te gaan hadden om ons aan te passen aan de gedragscode, de kledingcode en weet ik wat voor codes nog meer, zoals die door de leden van de anthroposofische vereniging werden gehanteerd.[1] Een streven naar het ware, schone en goede leek te zijn omgevormd in een illusie, een schijn van reeds bereikte heiligheid, of een schijn van bescheidenheid op dat vlak.
Maar het was duidelijk dat we dezelfde woorden gebruikten, dezelfde zinnen lazen en over hetzelfde werk en dezelfde auteur toch in zekere zin enthousiast waren. Zo vonden we binnen de vereniging toch een aantal mensen met wie we het goed konden vinden, met wie we konden samenwerken. Maar voor het overige leek het verschil alleen maar te groeien: ik beleefde een totaal andere perceptie van de anthroposofie dan die ik zelf had, en ik heb gedurende jaren mijzelf telkens weer de vraag gesteld: Wie heeft het hier nu bij het rechte eind? Die 'andere' anthroposofie was als een door vrijwel allen tot gewoonte geworden levenshouding - die ik niet wilde aannemen. Bovendien leek Steiner geworden tot een portret in de boekenkast: gelukkig is hij er niet in levenden lijve, want dan moesten we naar hem luisteren.... Het gaat hier niet om de individuele mens, met wie ik het meestal wel goed kan vinden, anthroposoof of niet. Het gaat om het 'verenigingswezen', waaraan de anderen wel wilden deelnemen en wij niet.

Naarmate ik meer kennis opdeed over het leven van Rudolf Steiner, over zijn werken in de anthroposofische vereniging, de brand van het Goetheanum, het moeilijke jaar 1923, het oprichten van een nieuwe anthroposofische vereniging, het op zich nemen van het voorzitterschap daarvan, de negen maanden intensieve werkzaamheid, de moeilijkheden tussen Marie Steiner en Ita Wegman, de andere moeilijkheden tussen andere mensen, de dood van Rudolf Steiner en de menselijke chaos daarna - werd het mij pijnlijk duidelijk dat het onmogelijk moest zijn dat Rudolf Steiner nog dezelfde verhouding zou hebben ten aanzien van de anthroposofische vereniging zoals die was toen hij het voorzitterschap op zich nam en nog in leven was. Hij was immers voor de anthroposofische beweging de esoterische stroom die door de vereniging ging. Nu kan men zich wel voorstellen dat deze stroom na de dood van Steiner toch nog door de vereniging zou kunnen blijven gaan, wanneer deze vereniging als het ware een graalgemeenschap was geweest van mensen, die een schaal met elkaar hadden gevormd waarin de esoterische stroom binnen kon komen. Dat moet vlak na de dood van Steiner de hoop van Ita Wegman zijn geweest - terwijl Marie Steiner meer de ook gerechtvaardigde gevoelens had, dat het nu voorbij was en dat er bescheiden en hard innerlijk gewerkt moest worden.

Er zijn occulte wetmatigheden, zoals er ook natuurlijke wetmatigheden zijn. Het staat de mens vrij om zijn fantasie de vrije loop te laten en te fantaseren dat die occulte wetten ook kunnen worden gebroken, en dat dan alles toch gelijk blijft. Maar het staat anderzijds ook mensen vrij om diep doordrongen te zijn van het besef, dat die occulte wetten er echt zijn en dat daar niet tegen kan worden gezondigd, zonder dat dit verstrekkende gevolgen heeft. Wat mij betreft was het duidelijk dat - toen ik in de vereniging kwam - de esoterische stroom er niet was, dat het een exoterische vereniging was en is. Dat betekent uiteraard niet dat Rudolf Steiner zich van de anthroposofen heeft afgewend; ook niet dat hij zich van de vereniging als een vereniging van mensen, die enthousiast zijn over zijn werk en over zijn individualiteit als drager van dat werk, zou hebben afgewend; maar dat de verbinding onverbrekelijk esoterisch in stand zou kunnen blijven, wanneer zulke dingen gebeuren die met onwaarheid en leugens van alle kanten samenhangen, zoals die na de dood van Rudolf Steiner zich hebben voltrokken en tenslotte bijvoorbeeld geleid hebben tot het buitensluiten (1935) van twee leden van het bestuur die door Rudolf Steiner zelf waren uitgekozen, samen met een groot aantal bij hen behorende leden - dat is spirituele fantasie.

Hoewel dus de vereniging van anthroposofen niet was wat ik verwachtte, maar er wel theoretisch een gevoel van broederlijkheid, van zusterlijkheid bestond, omdat we met hetzelfde thema bezig waren, bleven mijn man en ik veertien jaar lid van de anthroposofische vereniging. Ik heb dit lidmaatschap nooit beleefd als een verplichting aan Rudolf Steiner. Ik beleefde hem immers niet als esoterisch verbonden met de vereniging, het was voor mij in die zin een 'gewone' vereniging, met weliswaar een bijzonder uitgangspunt. Wel verwachtte ik toch nog van het bestuur dat de bestuursleden wel een gevoel van esoterische verantwoordelijkheid hadden, en dat zij de occulte wetten zouden kennen en respecteren, omdat men mocht verwachten dat tenminste het bestuur daarvan op de hoogte was. Het was alleen onze vurige liefde voor de anthroposofie - al leek het een 'andere' te zijn - en voor de grondlegger, die maakte dat wij lid bleven.

Halverwege de jaren negentig kwam in Nederland een rel op gang in de media, ontstaan door een moeder, die boos geworden was over als racistisch beleefde lessen op een Vrije School en die daarmee tenslotte naar de krant is gegaan. De krant nam dit graag op. Het artikel leverde grote verontwaardiging op, die zich keerde tegen Rudolf Steiner, omdat van hem deze racistische inzichten zouden komen. Wanneer men nu deze artikelen leest, kan men zich voorstellen dat de betreffende moeder dit uit radeloosheid aan het rollen heeft gebracht. Ze kreeg van alle zijden te maken met het pseudo-antroposofische wezen met de geijkte antwoorden, waardoor zij zich geschoffeerd voelde. Het is als bij een arts die door een patiënt wordt aangeklaagd. Dat gebeurt meestal, wanneer bij een medische fout er geen gesprek met de patiënt komt, waarin de arts zijn begrip toont. Hier was de betreffende Vrije School leraar degene die de fout maakte.

Ik begrijp natuurlijk heel goed dat het voor het bestuur van de anthroposofische vereniging in Nederland een groot probleem was. Maar een occulte wet is, dat de leerling der geestesscholing de leraar volledig vertrouwt. Niet een blind vertrouwen moet dat zijn, dat moet een vertrouwen zijn dat gebaseerd is op inzicht. Van bestuursleden mocht dat verwacht worden. Wie twijfelt aan de 'morele schoonheid' van de leraar - ook als dat op gebrekkig inzicht berust - kan zijn leerling niet zijn. Maar het bestuur van de anthroposofische vereniging in Nederland kwam tegemoet aan de onrust die deze rel in Nederland veroorzaakte, er werd gebruik gemaakt van een onderzoek van de Gesamtausgabe, waarin gezocht werd naar de citaten daarin met de uitspraken van Rudolf Steiner, die naar de moderne maatstaven zouden moeten worden beoordeeld als racistisch