'Inferno' en 'Hemelse Roos' Mieke Mosmuller - 2007 en 2010

20-10-2015 Recensie van Lieke van der Ree

Nu ik dit schrijf is het 29 september, de feestdag van de Michael. We kennen het beeld, van de aartsengel Michael met de draak onder zijn voeten en zijn blik gericht op het licht. Aan het begin van de herfst richten wij onze aandacht extra sterk op hem, om van hem te leren hoe wij met het boze in onze aardesfeer moeten omgaan. We hebben de innerlijke vraag: ‘hoe doe je dat nu eigenlijk?’ Wie hieraan met bewustzijn wil werken kan een grote rijkdom aan inspiratie en raadgevingen vinden in het werk van Mieke Mosmuller. Zij doet dit op verschillende wijze. Zo beschrijft Marie Anne in haar artikel over het seminar in Werkhoven dat Mieke gaf, hoe de mens zijn menszijn kan bewaren in de uiteenzetting met de onderzinnelijke krachten met behulp van de anthroposofische meditatie. Op een andere, meer beeldende manier, schrijft Mieke in twee romans over de uiteenzetting van het goede en het boze. Ik schreef een aantal jaar geleden een boekbespreking over deze boeken, die nog net zo actueel zijn als toen en dit wat mij betreft ook nog jaren zullen blijven.

Inferno
‘Het goede kan het boze niet met boosheid bestrijden, want het heeft
alleen het goede ter beschikking.’ (MM Inferno)

De romans Inferno (2007) en Hemelse Roos (2010) hebben als thema: hoe kan een mens die schijnbaar geen geweten heeft toch tot het goede komen? Ze beschrijven 15 jaar uit het leven van Gerrit, een keiharde zakenman en Beato, een jonge Italiaanse arts. In Inferno vertelt Gerrit zijn verhaal, in Hemelse Roos schildert Beato dezelfde gebeurtenissen vanuit zijn perspectief.

Als Gerrit 55 jaar is en Beato 25 ontmoeten zij elkaar, omdat Gerrit verlichting zoekt voor zijn reumatische pijnen in het kuuroord waar Beato werkt. Gerrit is voor niets of niemand bang, altijd waakzaam, altijd erop belust de macht in handen te hebben. Hij heeft geleerd om zijn geweten tot zwijgen te brengen, verliest nooit de controle over zichzelf. Behalve in die ene fractie van een seconde wanneer hij Beato ontmoet. Deze eerste ontmoeting heeft een ontwikkeling tot gevolg die in een stroomversnelling komt als Gerrit op 69-jarige leeftijd, ongeneeslijk ziek, wederom onder behandeling komt van Beato. Deze werkt nu in het instituut en ziekenhuis van Johannes, waarover Mieke Mosmuller ook in eerdere romans geschreven heeft. Er is voor Gerrit geen hoop op lichamelijke genezing. Het contact met Beato brengt veel teweeg, Gerrit en Beato voeren intensieve gesprekken.

Zo vertelt Gerrit (de ik-persoon) in het ziekenhuis aan Beato:

'Bij mij had niemand toegang, er was eenrichtingsverkeer. Geen uitwisseling, alle macht werd door mij ontplooid. Met die vaardigheid ben ik in zaken gegaan. Vooral wapenhandel, vaak illegaal, maar onder een legale bovenlaag. Ik heb op regeringsniveau gefunctioneerd, Beato, internationaal. Niet openlijk, niet op het grote toneel, maar achter de schermen. De dingen liepen zoals ik wilde en tegenstand heb ik nooit aanvaard.’

‘Sorry Gerrit, misschien ben ik wat onnozel, maar zoiets gaat toch altijd een keer fout?’

Ik keek hem lang aan, hij werd natuurlijk niet onzeker.

'Natuurlijk is het fout gegaan, Beato. Op het moment dat er één fractie van een seconde zelfbetrokkenheid ontstaat, valt het hele kaartenhuis in elkaar. Dan krijg je een vrijkaartje naar het gevang, onmiddellijk.’

‘Heb je tóch in het gevang gezeten?’

Ik lachte, spottend.

‘Natuurlijk niet. Ik ben geen moment onzeker geworden. Nooit. Zolang ik leef zal niemand het wagen iets tegen me te beginnen. Toch is het fout gegaan. Op het moment dat ik daar in Italië de spreekkamer binnenging en ik een fractie van een seconde mezelf gewaarwerd zoals jij me zag. Jij, de absolute volmaaktheid, een jonge God, niet van zijn stuk te brengen door mijn actieve zwartheid. Jij bereikte wat niemand heeft klaargekregen en je bereikte het ongewild. Je bereikte het omdat je zo ongelooflijk aardig bent, letterlijk ontwapenend. Al mijn wapens kletterden op de grond en in mijn kwetsbaarheid heb je me gegrepen jongen. En je hebt iets goeds in mijn donder gestopt. Vanaf dat moment is het fout gegaan, al heb ik me na een poos wel weer hersteld en heb ik nog een aantal jaren doorgewoekerd. Seks en geld zijn genotmiddelen, maar waar het echt om ging was de macht. De grote bazen van het kwaad in een James Bondfilm zijn lullige fantasietjes van een schrijver die er niets van begrijpt. Machtsstreven heeft geen hongerige piranha’s in bassins nodig, of ondergrondse laboratoria… Machtsstreven heeft eenvoud nodig, de eenvoud van de zwart magische techniek. Maar dan is liefde puur vergif, één lichtdruppeltje is genoeg, als dat een wit magisch lichtdruppeltje is. Want dacht je niet dat aan dat hele machtsstreven in de grond van de zaak het heftige verlangen naar liefde ten grondslag ligt? Totaal onbevredigd liefdesverlangen?’
Ik zweeg, alweer totaal uitgeput. Ik had gebiecht, maar tegelijk al pratend begrepen wat de penitentie moest zijn. Liefde was de penitentie. Onder het gestorte beton van het machtsstreven kiemde toch liefde. En liefde moet je niet willen krijgen, je moet die willen schenken.’

Dankzij het contact met Beato rijpt dit inzicht in Gerrit. Maar zijn ontmoeting met de heel jonge violiste Sophie ontwapent hem pas ten volle. Gerrit zegt over zichzelf tegen haar:

‘Eigenlijk ben ik een rotzak, echt waar. Maar in de grootste rotzak zit nog een lichtpuntje. Dat heb jij gevonden en het zal nog aanwakkeren, dat beloof ik je, Sophie. Ik beloof het je écht!’

Iets later schrijft hij naar aanleiding van het contact met haar in zijn dagboek:

‘Opeens wás het er. Berouw. Dat valt niet als een begrip te omschrijven, het is een emotie. Het is de sterkste emotie die ik ooit heb gehad. Misschien heeft zij, net als Beato, een geheim vermogen om iets in me te planten. Maar waarschijnlijk was het er al, werd het alleen nu door de andere emoties gewekt. Berouw. In een fractie van een seconde voelde ik de enorme schuld die ik in mijn leven op me heb geladen. Het lam voelde de zware last van de wolfskleren en plotseling zag ik ten volle in - al was het maar heel even – hoe dat alles zou moeten worden goedgemaakt. Ooit. Het berouw kwam als een overweldigende emotie op, die op liefde lijkt, op liefdesverdriet, op onbeantwoorde liefde. En die emotie deed me beleven: de wolf laat ik achter me, voorgoed. Uit gewoonte zal hij vast zo nu en dan trachten een prooi buit te maken. Maar het lam zal hem overweldigen met de volle macht van de opzettelijke onschuld. De liefde gaat in macht alle uiterlijke macht te boven.’

Behalve Beato en Sophie zijn er nog drie grote persoonlijkheden die in Gerrits laatste levensjaar een rol gaan spelen: de Meester, en de artsen Philippe en Johannes. Beato en deze drie werken in het instituut van Johannes samen om hun geesteswetenschappelijke inzichten te verdiepen en in het ziekenhuis in praktijk te brengen. De Meester houdt Gerrit door zijn zuivere, oosterse gelatenheid een spiegel voor en helpt hem de hoogmoed los te laten. Over zijn ontmoeting met Philippe Laurent, de arts die hoofdpersoon is in de romanKoningsweg, schrijft Gerrit in zijn dagboek:

Ik zei tegen hem:
’Ik heb geleefd voor macht, seks en geld. Dat is nog niet zo erg, dokter. Maar ik heb genoten van het kwaad, van de vernietiging op zich. Op mijn bevel zijn heel wat mensen gedood – omdat het nodig was. Maar ik heb ervan genoten, telkens weer en weer. Dit heb ik nog nooit bekend, ook niet tegenover mijn beste vriend, Beato – ja zelfs nauwelijks tegenover mijzelf. Maar ik voel die vernietigingsdrang telkens weer opkomen, ik vecht ertegen… en ik win wel telkens. Maar ik ben bang voor mezelf geworden, bang dat ik toch zal terugvallen. Wat moet ik in vredesnaam ondernemen om die opwellende gevoelens en gedachten te bevechten?’ Ik begon te huilen, onbedaarlijk. Ik voelde de goedheid van de man tegenover me, een vorm van trouw voelde ik. Die is zo ontroerend dat zelfs mijn harnas werd doorboord. Beato is het evenwicht zelf, de professor de geleerdheid, Sophie de onschuld. Maar deze man is een en al goedheid. Hij deed geen poging me te troosten, maar ik zag zijn bewogenheid. ‘U moet leren bidden.’ zei hij zacht. ‘Ik zal u het ‘Onze Vader leren’, daar is het boze niet tegen bestand. Dat moet u bij elke aanvechting bidden, hardop. Buiten die ogenblikken moet u trachten de betekenis van de woorden tot u te laten doordringen. U zult zien dat het werkt.’

Het toepassen van die raad heeft voor Gerrit grote gevolgen, hij wordt bevrijd van de boosaardige aanvechtingen. Ook met Johannes voert Gerrit diepgaande gesprekken om hem raad te vragen. In zijn dagboek kijkt Gerrit terug op wat Johannes hem zei:

’Inzichten en gevoelens zijn te zwak, te vluchtig om in uw geval iets wezenlijks te kunnen veranderen. Uw wil wíl nog niet echt.’

Ik vroeg:
’Wat staat er me na de dood te wachten?’
‘Dat is afhankelijk van wat u nú nog doet. Als u voor uw dood met uw wil nog voor het goede kiest – maar dan door en door - dan hebt u die wil ook na de dood ter beschikking. Al is het oordeel over uw daden dan nog zo verpletterend, uw goede wil zal u erdoorheen helpen en u zult voor het volgende aardeleven uw lot geheel in dienst van de Heer van het Goede kunnen vervullen.’

In een tweede gesprek zegt Johannes:

‘Je moet eens een week lang proberen om je getrainde waakzaamheid te richten op je eigen handelingen en op je impulsen. Op wat er in je opkomt aan wensen, verlangens. Niet op je gevoelens, maar op wat je wilt’.

Gerrit schrijft daarop in zijn dagboek:

‘Het was alsof hij het licht had aangedaan. Het belichtte meedogenloos mijn driftleven. O, ik kende de aandriften van mijn tegenstanders zo goed! Nu zag ik die in mijzelf, elke beweging, elke impuls werd zó intens beleefbaar dat ik me er pijn aan deed. De pijn in mijn botten verbleekte bij deze aanraking van mijn eigen driftleven. In elke beweging, elke impuls, zelfs die eraan vooraf gaat, zag ik iets lelijks.’

Het lukt Gerrit maar kort om dit vol te houden, dan moet hij opnieuw Johannes om raad vragen. Deze zegt:

’Er is toch een lichtbron in je, een voorzichtig geweten…’
‘Dat is sinds de eerste ontmoeting met Beato.’
'Vanuit dat punt wil je iets anders, dan de rest van je wil wil… Probeer eens om je waakzaamheid daarmee te verbinden. Alleen daarmee. Je hebt een enorme kracht, Gerrit. Als die ten goede gekeerd kan worden… dan is dat zoiets als een kernexplosie, maar dan opbouwend.’

HemelseRoos

Vanaf dit moment is er nog maar één ding dat Gerrit bezighoudt: deze uitdaging aangaan en het onmogelijke volbrengen. In Hemelse Roos schrijft Beato over de verandering die Gerrit doormaakte:

‘De volgende keer dat ik hem zag, was hij totaal veranderd. Het valt niet uit te drukken, wat er gebeurd was. Hij vertelde het mij dan ook niet… Hij zag er nog hetzelfde uit, Gerrit was Gerrit. Even goed verzorgd en gekleed. De verandering lag in zijn ogen. Ook in zijn houding, zijn geste, het timbre van zijn stem. Het was een ‘kwalitatieve’ verandering, zo reusachtig, zo indrukwekkend, zo ontroerend… Hij was ontvankelijk geworden… Hij scheen geen verweer meer te hebben, de volle omvang van de antipathie had hem verlaten. Hij scheen me kwetsbaar, vol overgave en aandacht.
‘Alles raakt me diep, Beato. Ik weet helemaal niet, hoe ik dat alles moet verwerken, ik heb geen schild meer, en mijn harnas is verdwenen. Ik kan niets meer afwijzen, alles lijkt me goed te zijn, zoals het is. Alles, behalve Gerrit zoals hij was. Voor hem heb ik ook geen verweer, ik kan mijn blik niet van hem afwenden. Hij bevindt zich ergens - ‘. Hij maakte een gebaar met zijn arm. ’En niets is zo afzichtelijk als hij.’

Deze grote innerlijke verandering is voor Beato (Hemelse Roos) indrukwekkend:

‘Gerrits nieuwe wijze van zijn beroerde ook ons, ons allemaal. Wanneer je afscheid van hem had genomen, voelde je hoe zijn ‘zielehouding’ in je achterbleef. Je was dan zelf voor enige tijd één en al gevoelig gewaar-zijn. Dat was een geschenk, want het is de houding van een kind en die is in de volwassenheid oh zo moeilijk terug te winnen. Met al onze innerlijke ontwikkeling ontvingen we van Gerrit keer op keer een geschenk, we voelden ons aangeraakt door de Genade van het Wezen, dat zijn ommekeer had mogelijk gemaakt.’

Gerrit schrijft tenslotte in zijn dagboek (Inferno):

‘Alles moet vervolgens afsterven en rusten in een andere bodem. Die moet dan zorgen voor een nieuw lichaam, dat wél de kwaliteiten zal hebben om het krachtige voornemen uit te voeren. Maar die andere bodem is niet het graf, niet de aarde… het is de geestelijke wereld, hel en vervolgens hemel.’

Uiteindelijk sterft Gerrit vredig. In Hemelse Roos blikt Beato hierop terug:

‘Sophie en ik waren bij hem toen hij stierf. Er was geen doodsstrijd, want hij wilde gaan en hij was geen angstig mens, had geen angst voor het onbekende. Hij lag rustig in bed, zijn handen gevouwen, als een heilige in gebed. Terwijl hij stierf keek hij mij aan… dat wil zeggen, hij keek me aan totdat zijn blik verstarde, en ik voelde hoe zijn enorme wilskracht, zijn pasgeboren ik, zijn gevoelsleven en zijn nog onmachtige denken zich vrijmaakten, vrij, vrij… om zich over te geven aan de gebondenheid in God en Zijn hemelse Hiërarchieën. Voor mij was zijn wilskracht machtig voelbaar, zijn goede wil om zich te ontwikkelen, te veranderen.’

Na het sterven verliest Beato het contact met Gerrit niet:

‘Ik kon me niet vaak genoeg bezinnen op dat levensproces van Gerrit, dat zich in vijftien jaar voltrokken had, met een geweldige apotheose nog voor zijn dood. Zo zag ik na zijn dood steeds meer de betekenis ervan. De liefde bleef, ze deed ons elkaar ‘opzoeken’, telkens weer. Hij werd voor mij het leerboek van de techniek van het boze. Ik kon hem elke vraag [daarover] voorleggen en vond dan op een zeker tijdstip als toevallig het antwoord. Ik hielp hem, zijn jonge vleugels te leren verheffen, door mijn liefde in hem over te dragen, ik wilde hem optillen, hem een blik gunnen in het geestgebied, dat voor hem gesloten was. Ik wilde ook nu iets aan hem geven, waardoor het zeker zou zijn, dat hij zijn impuls trouw zou blijven tot in de beproevingen van een volgend aardeleven. Ik wilde dat het streven, dat door een blik in het zuivere geestgebied zou worden gewekt, op aarde zou leiden tot het zoeken van de geest. Want dat raak je op aarde het snelst kwijt: een neiging om door alle genot heen geestelijk te zoeken.’