Toespraak Mieke Mosmuller bij de presentatie van haar boek 'De Categorieën van Aristoteles'

09-02-2014 Artikel van Mieke Mosmuller

We zijn met een groep mensen samen vandaag, waarvan een betrekkelijk groot aantal mee hebben gedaan met onze intensieve studie van dit onderwerp: De Categorieën van Aristoteles. Maar er zijn ook baby's, peuters en kleuters en ook schoolkinderen aanwezig, dus ik moet het niet al te moeilijk maken vandaag... Ik zal proberen om wat meer elementair over de categorieën te spreken, alsof ik het voor het eerst doe.

Bij de voorbereidingen daarvoor was dat toch ook wel weer een heel interessante ervaring, omdat je, wanneer je weer helemaal opnieuw wilt beginnen, zo'n onderwerp weer evenzeer fascineert als toen ik er werkelijk voor de eerste keer aan begon. Hoezeer zo'n onderwerp kan boeien zal niet voor alle toehoorders zo begrijpelijk zijn, maar in mijn leven is dat in elk geval zo en ik wil een poging doen om eerst deze grondbegrippen van Aristoteles in een historisch perspectief te plaatsen, zodat we als uitgangspunt een idee hebben wat de categorieën van Aristoteles zijn.

We moeten dan teruggaan naar een aantal eeuwen voor Christus. De Griekse filosofie begint in die tijd. Die begint natuurlijk niet van de ene dag op de andere, het is een geleidelijk proces. Maar op een gegeven moment is er Griekse filosofie en die hangt samen met het feit, dat de mens in die tijd begon te bemerken dat hij een gedachteleven heeft.

In de natuurwetenschap is men inmiddels wel zover dat men uitgaat van een ontwikkeling van de schepping van de mens. Vanuit dat gezichtspunt is het dan ook logisch, wanneer je bedenkt dat ook de ontwikkeling van dat specifiek menselijke - we spreken van 'homo sapiens', de wetende mens - vermogen om te 'weten', te kennen. Uiteraard is dat iets wat niet kant-en-klaar tevoorschijn is gekomen, maar iets wat zich ontwikkelt. Het ontwikkelt zich nog steeds verder. Op een bepaald moment wordt zichtbaar dat de mens zich dat vermogen om te denken bewust begint te worden en dat treedt op wanneer er een bemerken ontstaat van het gedachteleven van de mens. Hij bemerkt wanneer hij denkt iets waarvan hij beseft het eerder misschien ook wel te hebben gehad, al had hij het niet bemerkt. En zo kun je je voorstellen dat dat zich nu nog herhaalt, wanneer je op aarde komt. Tot op zekere hoogte staan kleine kinderen wel kennend in het leven, maar ze zijn zich natuurlijk nog lang niet ervan bewust, dat ze gedachten hebben, dat komt veel later. Zo is het ook in de mensheidsontwikkeling. Wanneer je daar op let, zie je het zelfstandige denken ontstaan in de Griekse tijd. In de zesde eeuw voor Christus vinden we een man, die we misschien nog niet echt een filosoof kunnen noemen, dat is Pythagoras, die we allemaal kennen van de middelbare school van de stelling van Pythagoras. Pythagoras is niet zomaar een naam, dat was groot man. Hij bemerkte dat er een gedachteleven in de mens is. In zich begint hij een tegenstelling te bemerken: enerzijds is er een denken dat zich werkelijk met de objectieve wereldorde kan bezighouden - maar het kan ook subjectief worden, en geleid worden door het begeerte- en driftleven. Hij heeft een school opgericht waarin de leerlingen een ernstige scholing in het denken doormaakten en tevens een morele opvoeding. Pythagoras is een filosoof die in feite nog gewaar werd, dat gedachten niet van die abstracte vluchtige voorbijgaande windvlagen zijn, maar dat gedachten 'tonen', dat zij klinken en hij vond in de kosmos bijvoorbeeld in de planetenbanen ten opzichte van de zon en de vaste sterren niet alleen gedachten, hij berekende die niet zozeer, maar hij hoorde de planeten klinken zoals Goethe dat in het begin van zijn Faust nog noemt: Die Sonne tönt... De zon klinkt... Pythagoras bouwde een gedachtesysteem, maar je moet je dat dan meer voorstellen dat het berustte op het getal. Hij spreekt over de 'sferenharmonie', de kosmische wetmatigheid klinkt als harmonie der sferen.

FreundeBreda
(Impressie van de pauze tijdens de boekpresentatie in Breda.)

Na hem komt een andere bekende filosoof, Heraclitus. Van hem is de gedachte dat niets blijvend kan zijn, dat alles komt en weer gaat…

Dan vinden we in de geschiedenis van het denken een heel bekende figuur, die staat als het ware voor ons op, wanneer je in de filosofie gaat studeren. Dat is Socrates. Hij is de eerste mens van wie we documenten hebben waaruit blijkt hoe hij begint te argumenteren, te redeneren. Hij past daarbij de grondwetmatigheden van het denken toe. Zijn leerling Plato heeft in zijn dialogen zijn leraar Socrates steeds als leraar laten optreden en hij is dan degene die met de Atheners en met zijn leerlingen gesprekken voert over allerlei thema's. Dat is hem uiteindelijk komen te staan op een veroordeling ter dood, omdat hij niet op de juiste wijze in God zou geloven en omdat hij de jeugd van Athene bedierf door zijn redeneringen.

Een voorbeeld daarvan is, dat hij op een gegeven moment aan een leerling vraagt: Vind jij dat er mensen zijn die kundig zijn in de grammatica en dat er mensen zijn die werkelijk de gerechtigheid in zich dragen? Ja, zegt de leerling. Dan vraagt hij: Wie denk je dat beter op de hoogte is van de grammatica: iemand die met opzet verkeerd schrijft, of iemand die per ongeluk verkeerd schrijft? - dat is zo'n typische socratische aansporing om te denken - en natuurlijk zegt de leerling dan: Diegene die met opzet verkeerd schrijft kent de grammatica beter dan diegene die per ongeluk verkeerd schrijft. Goed, zegt Socrates. Wie denk je dan dat de waarheid beter kent: hij die bewust liegt of hij die bij ongeluk liegt? Dan zegt de leerling: dat moet wel degene zijn die met opzet liegt. Zo werkt Socrates en dat komt hem dus heel duur te staan.

Dat we daar zoveel van weten, danken we aan Plato, aan de leerling die dialogen geschreven heeft - hij heeft zijn eigen filosofie daar doorheen geweven. Je kunt zeggen dat het schriftelijke werk van Plato behoort tot de monumenten van de wereldliteratuur. Het zijn geen logische beschrijvingen of leerboeken. Het zijn gesprekken tussen mensen, waarbij Socrates degene is die telkens als het ware door zijn vragen de mensen zelf ertoe brengt de antwoorden vinden.

Toen ik op het gymnasium zat - ik was een jaar of zestien, denk ik - moesten we voor het eindexamen een project doen, dat handelde in mijn geval over de dood van Socrates. We hebben uit het Grieks moeten vertalen een deel uit de 'Apologie', een stuk van 'Kriton' en een stuk van 'Phaido'. Ik was een meisje dat zich veel vragen stelde over: Waarom moet een mens sterven? Wat is dat, dat een mens op aarde komt en al bij de geboorte ter dood veroordeeld is? Dat is een beetje zwaar uitgedrukt, maar ik had een diepgaande ervaring op dat gebied en dat heeft vragen in mij gewekt - ik wil niet zeggen dat ik die voortdurend in mezelf uitsprak, maar dat leefde wel heel sterk.

Een van de grote momenten in mijn schooltijd was toen de kennismaking met Socrates. In zijn apologie voor de Atheense Raad en de jury rechtvaardigt hij zich en onder andere zegt hij het volgende:

'Bang zijn voor de dood is niets anders dan menen wijs te zijn zonder het te zijn, namelijk zich verbeelden te weten wat men niet weet. Want niemand kent de dood en niemand weet of hij niet voor de mens de grootste van alle weldaden is.'

Dat zet de mens natuurlijk wel aan het denken. Later in de apologie zegt hij:

'Is dus de dood zoiets, dan noem ik hem een winst, want dan schijnt de eeuwigheid niet meer te zijn dan een nacht. Want de dood is een van beiden, of als een niets zijn en de dode heeft daar geen enkele waarneming van; of wel is hij een verandering en verhuizing voor de ziel naar een andere naam, een ander oord. Als er geen enkele waarneming is, maar zo iets als een slaap, wanneer men in de slaap zelfs geen droom ziet, dan moet de dood een wonderbaarlijke winst zijn. Want ik geloof, als iemand zulk een nacht moest uitkiezen waarin hij zo had geslapen, dat hij zelfs geen droom zag en als hij de andere nachten en dagen van zijn leven daarmee moest vergelijken en dan zeggen hoeveel dagen en nachten hij in zijn leven had doorgebracht beter en heerlijker dan die nacht, geloof ik dat zelfs de grote koning, laat staan een gewone burger die gauw geteld had tegenover de andere dagen en nachten.'

'Want het is zo, dat zij die op de juiste wijze zich op de wijsbegeerte toeleggen - al ontgaat dat aan de anderen - zelf naar niets anders streven dan naar sterven en dood zijn. Als dat dan waar is, zou het natuurlijk ongerijmd zijn dat zij gedurende hun gehele leven bereid zijn tot niets anders dan dit, en wanneer datgene komt waartoe ze altijd al bereid waren en waarna zij steeds streefden, dan in verzet komen.'

Dat zijn voorbeelden voor het begin van de filosofie, die zo te werk gaat, dat ze het denken erkent, dat de mens beseft dat hij een denkend wezen is, dat tot weten kan komen en dat, wanneer hij zich daarmee uiteen begint te zetten, dat de eerste en de laatste vragen opkomen.

Plato is dan de leerling van Socrates. In zijn filosofie leeft nog heel sterk het besef dat de mens, wanneer hij op aarde komt, ook voor zijn geboorte er al was. Dat is bij Plato een zekerheid en hij beschrijft het kennen van de mens als een herkennen. In feite weten we alles al, we hebben dat uit het voorgeboortelijke leven meegenomen en dragen dat in ons. Het kenproces is, dat we tot herinnering gebracht worden daarvan. Dat is de ideeënleer van Plato. Op die grond vestigt Plato dan ook zijn uiteenzetting - bij monde van Socrates altijd - dat ook de deugd - dan kom je in het gebied van het morele wezen van de mens - leerbaar is. In je leven kun je leren om een deugdelijk mens te zijn.

Dan komt de grote overgang, dan komt er een leerling op van Plato. Die wordt in zichzelf ook het denken gewaar, maar hij heeft niet meer het vermogen, dat hij kan zeggen: Het denken stamt uit het voorgeboortelijke leven. Hij bemerkt zijn gedachteleven, zijn kenvermogen, en hij zoekt dat in de aardse dingen, in de processen en dingen die voorhanden zijn. Dat is Aristoteles.

Je ziet in de overgang van Plato naar Aristoteles de ontwikkeling van de mensheid weerspiegeld. Je ziet dat er een abstract denken ontstaat, waarbij de mens die denkt niet meer beseft wat dat denken is, maar wel in de gaten heeft dat dat denken hem kan leiden tot het begrip voor de dingen en de processen in de wereld. Hij weet dat hij ook daarmee kan filosoferen over het niet-zintuiglijk waarneembare.

Aristoteles treedt op als iemand die als eerste de logica beschrijft, niet door te laten zien hoe mensen logisch denken in gesprekken zoals Plato dat deed, maar door verhandelingen te schrijven over de logica. Aristoteles is de eerste die boeken begint te schrijven over de vraag: Wat is logica, wat is logisch denken, hoe zit dat in elkaar. De grondslag die hij daarvoor legt, het eerste in die logische leer, is het ontdekken van bepaalde grondbegrippen die de mens in zich heeft. Ik heb dat als iets wonderbaarlijks beleefd, toen ik me realiseerde dat je grondbegrippen hebt, die feilloos werken, en die je volledig in het bewustzijn kunt brengen, zonder daarvan iets te missen.

Wanneer je arts geworden bent, dan heb je heel wat gestudeerd over het menselijk lichaam. Dan heb je bijvoorbeeld fysiologie gestudeerd van de lever, je hebt geleerd hoe in de lever bijvoorbeeld de gal wordt aangemaakt, bloed wordt afgebroken. Maar je kunt niet dichter bij de lever komen dan door erover te denken. Je kunt niet zeggen dat je echt helemaal met je denkproces tot daar kunt afdalen. Je kunt niet zeggen: 'Ik word nu lever en ik beleef daar precies wat zich daar afspeelt. Dat gaat niet. Ik vond dat heel moeilijk in de medische wetenschap, dat je dus zo'n grote afstand hebt tussen wat je weet en wat er is.

Toen ontdekte ik, dat in de grondbegrippen van Aristoteles ook een soort van fysiologische werkzaamheid gevonden is, maar dan een fysiologie waar je met het bewustzijn direct helemaal in kunt gaan. Niet dat het zo makkelijk is, het is niet zo dat je zeggen kunt: nu heb ik het in één moment gevonden! Maar je bespeurt dat daar iets gegeven is wat oneindig veel verder gaat dan een abstract denken.

Wanneer je het woord 'categorie' in het Grieks bekijkt, dan heeft dat een betekenis dat het iets laat doorschemeren, en verder doorgevoerd betekent het ook 'verraad'. Het verraadt ons iets. Het woord 'grondbegrip' is misschien makkelijker te begrijpen voor ons, maar het woord 'categorie' toont beter aan wat die grondbegrippen zijn.

Wanneer we denken aan de Egyptische tijd, aan die wonderlijke piramides die daar gebouwd zijn zonder de computertechniek, zonder rekenmethode zoals wij die hebben, maar met een intuïtieve zekerheid, dat dat wat geconstrueerd werd ook klopte. Wat zij in de sterren lazen berustte niet op onze exacte astronomie, maar het openbaarde wel de toekomstige loop der dingen. De mens wist, zonder dat hij dit in abstracte gedachten bracht. Het ligt toch voor de hand, dat dat ergens gebleven is, dat dat niet verloren gegaan is, dat er iets is, wat ons dat 'verraden' kan, waar het doorheen kan schijnen…

Wanneer je denkt aan het oude testament, je denkt aan koning David bijvoorbeeld die zijn psalmen heeft gezongen, de lof voor de Heer, David, die een vorm van zeker weten had dat zijn God bestond; en je denkt aan de profeten Elia, aan Jesaja, hoe die nog in direct contact stonden met hun God - dan krijg je een vermoeden, dat dat weten wat de oude mens had, dat dat