Toespraak Jos over de Michaelimpuls, Kiental 2019

27-11-2023 Artikel van Jos Mosmuller

Vandaag wil ik iets over de aartsengel Michaël en zijn ontwikkeling door de geschiedenis heen vertellen. Wanneer je op het internet zoekt naar de geschiedenis van Michaël en dat alles bekijkt, kun je zeer veel dingen over hem vinden, maar je komt toch nog altijd het verst en het diepst in het mysterie van Michaël binnen wanneer je te rade gaat bij Rudolf Steiner. En je beleeft dan toch – dat heb ik tijdens mijn onderzoekingen werkelijk ervaren – een grote dankbaarheid voor dat wat Rudolf Steiner ons allemaal gebracht heeft. Zonder hem zouden wij werkelijk niets weten van de spirituele achtergronden van het wereldgebeuren en de geschiedenis. Wij kunnen deze achtergronden doorschouwen omdat Rudolf Steiner ons op de hoogte heeft gebracht van de grote wereldstromingen, die tot de bewustzijnszielentijd, die zich nu in onze tijd sinds de vijftiende eeuw ontwikkelt, hebben geleid. Zonder Steiner zou het geheel niet mogelijk zijn daarover tot enig begrip te komen. Nu, dit wilde ik vooraf laten gaan.

Je moet weten dat de uiterlijke wetenschap, de politici en de uiterlijke instituties van deze geestelijke achtergronden helemaal niets weten of willen weten en alleen op de uiterlijke en materiële omstandigheden reageren.

Wij kennen allemaal de feestdag van Michaël, die op 29 september valt. De Michaëltijd in het jaarverloop begint eigenlijk al aan het eind van de zomer.

In de maand augustus kampeerden wij vroeger vaak op campings in Frankrijk, in heel mooi, wijds land, en dan zagen wij eind augustus aan de open blauwe hemel de vallende sterren met hun oplichtende vuurstaart, die dan in de late namiddag en in de avond heel goed te zien en te volgen waren, met grote snelheid door de lucht suizen.

77E6FA1A-6157-4F42-AD5A-4F8F6BF25F4A_4_5005_c
Deze meteoorregen is het teken van Michaël, weten we van Rudolf Steiner. Het is zelfs het wapen van Michaël, waarin zich het meteoorijzer bevindt, dat ook in de homeopathie en in de anthroposofische geneeskunde gebruikt wordt vanwege zijn ik-versterkende en angst overwinnende kracht. Je kunt het het zwaard of de lans van Michaël noemen. Je kunt het ook als het zwaard tegen het materialisme beschouwen. Elk jaar gaat dit meteorenzwaard door de kosmos heen en werkt het zeer sterk op de aarde in door de meteoorstenen, die op de aarde neervallen. Je vraagt je dan af waar er in de geschiedenis het eerst over Michaël gesproken werd. In de Bijbel, in het boek Deuteronomium, wordt verteld dat het Joodse volk door Michaël geleid werd. Tijdens een artsencursus kwamen we over de spiritualisering van het denken te spreken, en er werd ook over Michaël en zijn herkomst en zijn betekenis voor het zuivere krachtdenken gesproken. Van Rudolf Steiner weten we dat Michaël reeds in de Babylonische cultuurperiode, dat is het derde tijdperk, waarin de Babylonische, Chaldeeuwse, Egyptische en oud-Joodse cultuur plaats hebben, genoemd wordt. Hij wordt daar echter met de naam Marduk aangeduid. Marduk is de zoon van Ea en is een zonnegod. In het begin was er alleen Tiamat, het zoute water, en Apsu, het zoete water. Uit hun verbinding ontstonden Lachmu en Lachamu, en uit deze weer Ansjar en Kisjar. Hun zoon werd Anu, de opperste god. Hij lag aan de oorsprong van de sterren, die als een soort van sterrensoldaten voor hem het boze vernietigden.


27AB0CB7-BF03-4974-8727-4B69EC30AD0E_4_5005_c
Marduk

In de Babylonische scheppingsmythe Enuma elisch (‘Toen in de hoogte’) wordt verteld hoe de god Apsu tracht de godin Tiamat over te halen zijn nakomelingschap om te brengen. Tiamat weigert echter. De zoon van Anu, Ea, grijpt hierop in en overwint Apsu. Hij krijgt een zoon, Marduk. De godin Tiamat zoekt wraak voor het doden van Apsu door Ea. Dan krijgt Marduk, de zoon van Ea, de opdracht met Tiamat te strijden.


9C2F38FA-49E8-4B4F-AF24-9E5EA873C2C5_4_5005_c
Eabani en Gilgamesh


Dus Marduk (Michaël) streed met Tiamat en heeft uiteindelijk overwonnen. Hij heeft de wereld als een klaptafel gedeeld in een bovenste deel van de kosmos, de hemel en in een onderste deel, de aarde. Marduk treedt ook op in het Gilgamesh Epos (1800 tot 1595 v. Chr.) in de strijd van Gilgamesh en Eabani met de hemelstier. De god Anu heeft de hemelstier naar Uruk, naar de aarde gestuurd omdat zijn dochter, de godin Istar, zich door Gilgamesh afgewezen voelde. Gilgamesh en Eabani besluiten samen tegen de stier te vechten. Marduk komt hun daarbij te hulp.

Meer over Michaël in de geschiedenis horen we in de oud-Joods-Hebreeuwse tijd, en dat begint bij Abraham.
Michaël was toen het aangezicht van Jahwe.

Abraham trof het lot dat hij door de Assyriërs in een oven gedood moest worden. Michaël heeft echter ingegrepen en dat dan verijdeld. Dan was daar Sara, de vrouw van Abraham, die in de harem van de koning der Filistijnen, Abimelech, opgenomen werd. Michaël heeft ervoor gezorgd dat Sara aan Abraham werd teruggegeven. Michaël bracht later de vreugdevolle boodschap dat de reeds hoogbejaarde Sara Isaäk, de zoon van Abraham, zou baren. Michaël redde Lot, een neef van Abraham, uit de ten onder gaande stad Sodom. Later kreeg Abraham van Jahwe de opdracht zijn zoon Isaäk te doden, om hem uit liefde voor Jahwe als offer aan te bieden. Op het moment dat hij op de berg waar hij Isaäk moest offeren het mes hief, kwam Michaël tussenbeide en hield het mes tegen. Het was het teken van Michaël in opdracht van Jahwe, waardoor Isaäk in leven is gebleven en het Joodse volk zich ten minste verder heeft kunnen ontwikkelen.

Dan is er – het is ook bekend uit de Bijbel – het gevecht van Jacob, de zoon van Isaäk, die met Michaël heeft moeten strijden. Dat wordt dan zo bescheven, dat een man met Jacob heeft gevochten, die hem niet kon overwinnen en hem daarom zijn heup ontwrichtte. De man zei tot hem: Van nu af aan zal jouw naam niet meer Jacob, maar Israël zijn, want je hebt met God en de mensen gestreden en overwonnen.

Jacob had twaalf zonen, de jongste was Benjamin en de op een na jongste was Jozef, die onderkoning van Egypte werd. De elf broers waren jaloers omdat hij visioenen had, wat in het Joodse volk niet gebruikelijk was, en zijn vader hem voortrok.

De broers hebben hem ten slotte verstoten en in een diep gat gegooid. Daar vonden rondtrekkende bedoeïenenkooplieden hem, en hij is dan met de bedoeïenen naar Egypte getrokken. Er was in Israël een vrouw, Asnath, de dochter van Dina, die achtergebleven was. Michaël heeft ervoor gezorgd dat deze vrouw niet gedood werd door de broers van Jozef en in Egypte door Potifar geadopteerd en dan Jozef tot vrouw gegeven werd. Dat kwam ook tot stand met de hulp van Michaël. Toen de broers van Jozef en hun vader vanwege hongersnood naar Egypte trokken, trok ook het gehele Joodse volk met hen daarheen en bleef daar 400 jaar.
Toen kwam de tijd dat het volk weer uit Egypte wegtrok. Het waren Mozes en zijn broeder Aäron die de reis uit Egypte leidden. Michaël stond daarachter, hij heeft de gehele Exodus van het Joodse volk begeleid. Toen Mozes dan op de top van de berg Tabor kwam – hij was de enige die de berg zo hoog kon beklimmen – hoorde hij Jahwe spreken, maar aanschouwen kon hij hem niet; dat was ook voor de priesters niet mogelijk, ook later in de tempel niet. Alleen door bemiddeling van Michaël kon Mozes de wetten (de Tien Geboden) ontvangen. Toen de Joden dan uiteindelijk in Israël aankwamen en in Jeruzalem de tempel gebouwd hadden was het vanuit spiritueel, geestelijk gezichtspunt zo, dat de aartsengel Michaël hoog boven op de tempel zat of stond en het Joodse volk moreel begeleid heeft. Wanneer er afdwalingen waren heeft Michaël er steeds voor gezorgd dat verbetering intrad.

Voorts is er in de geschiedenis van koning Hizkia van Juda in het jaar 701 v. Chr. de belegering van Jeruzalem door koning Sanherib uit Assyrië. Deze wilde Jeruzalem innemen, en toen het vrijwel uitzichtsloos was heeft Hizkia in de tempel tot Jahwe gebeden, die dan Michaël gezonden heeft, waardoor Sanherib heeft moeten terugtrekken.

Dit zijn allemaal verhalen die in de Bijbel te vinden zijn en teruggaan op de invloed van Michaël.

Natuurlijk denk je dan ook aan de islamieten, aan de Islam. Een enkele keer wordt in de Koran over Michaël gesproken, en dat is wanneer mensen tegen alles zijn, dan zijn ze ook tegen de engelen, ook tegen Gabriël, en ook tegen Michaël. Want het is zo, wanneer mensen zondigen, zondigen ze ook tegen Michaël. In de Koran wordt hij dus genoemd, de islamieten kennen hem. In Deuteronomium, in de Bijbel, in de Septuagint, staat ook geschreven dat Jahwe de landen verdeeld heeft en hun hun volksgeest gegeven heeft, en dat hij dat met de aartsengelen gedaan heeft. De zeven aartsengelen heeft hij verdeeld over verschillende landen en Israël kreeg Michaël als aartsengel, als volksgeest. In het begin waren alle aartsengelen gelijk, maar daar Israël ernstig bedreigd werd door de verschillende andere volken heeft Jahwe het zo gedaan, dat Michaël de leider werd van de andere aartsengelen, omdat hij de zonne-aartsengel is te midden van de andere planetengeesten. Hij kreeg zoveel invloed dat hij de vorst over de anderen werd, om Israël te beschermen. Daarmee werd dan eigenlijk ook gezegd: Gij zijt het uitverkoren volk.

Zo heeft het doorgewerkt, ook in de Grieks-Romeinse tijd, vooral in Griekenland waar de Michaëlische impuls destijds zeer sterk werkte.

Wij weten ook uit Deuteronomium, dat de aartsengelen een regering hebben, een regeringsperiode. Zoals wij nu een president hebben die vier of zes jaar over een staat regeert, hebben de verschillende aartsengelen ongeveer 350 jaar de regering over de hele wereld. De aartsengelen zijn bij een planeet ingedeeld. Bijvoorbeeld voor Saturnus is de bijbehorende planetengeest of aartsengel Oriphiël. Die regeert dus 350 jaar in de wereld en hij heeft zijn ideeën, zijn opvattingen die in de mensen binnenkomen. Hij inspireert de mensen. De tijd in het Romeinse rijk vanaf keizer Augustus is Oriphiëls tijd. Denken we aan de keizers Tiberius en Nero, dan worden we gewaar dat het moeilijke, zware tijden met veel geweld waren. Dat is voor een Saturnustijd altijd het geval.
Ik zal niet alle aartsengelen precies beschrijven, maar wel noemen: We hebben Zachariël, de aartsengel behorend tot Jupiter, dan is de volgende aartsengel Samaël voor Mars, Michaël voor de zonne-intelligentie, Anaël is de Venusintelligentie, Raphaël de Mercuriusintelligentie, de genezer, en tenslotte Gabriël, de maanaartsengel.
De tijd van Socrates, Plato en Aristoteles, de tijd van de tochten van Alexander, ongeveer 300 v. Chr., was ook Michaeltijd. De Michaël-impuls is een sterke zonne-impuls, maar ook een kosmopolitische impuls. Deze ging vanuit Griekenland richting het Verre Oosten naar India, het was de stroming van het alexandrisme. De griekse impuls was sterk kosmisch-spiritueel door de mysteriënpriesters geleid. Deze tijd wordt ook wel de hellenistische periode (334 – 30 v. Chr.) genoemd, waarin de griekse cultuur op haar hoogtepunt was.
Voorchristelijk was het zo - wat al in Deuteronomium staat – dat Michaël de vorst was over de andere aartsengelen. Toen dan de periode van Oriphiël kwam, en daarop volgend de anderen, dan heeft Michaël in deze perioden toch zijn invloed kunnen instralen.
Dan gebeurt er iets bijzonders, omdat Christus van de zon naar de aarde afdaalt; dat gebeurt langzaam in grote perioden.

Michaël en de zijnen moeten aanzien dat Christus de zon verlaat en zich naar de aarde begeeft. In de jaren 30 - 33 is het Christuswezen op aarde aanwezig in Jezus van Nazareth, en daarmee is er dan veel, ook in de Hiërarchieën, veranderd. De voorchristelijke tijd is anders dan de nachristelijke, omdat Michaël zijn invloed verloren heeft nadat Christus op aarde geïncarneerd was. Christus heeft de zonne-intelligentie meegenomen en aan de mensen gegeven. In de mens is sindsdien de zelfstandige verstandskwaliteit heersend, voorheen was deze nog zeer sterk geïnspireerd door de engelen, de aartsengelen. Dat was later – in steeds geringer wordende mate – ook nog zo, maar de mens kreeg de mogelijkheid zelfstandig te denken. Dat is een geschenk van het Christuswezen. Dat had dan tot gevolg dat Michaël minder macht had – Rudolf Steiner beschrijft dat heel mooi. Wanneer wij de zonnevlekken zien – vroeger waren die er niet, de zon was een geheel open zon – dan zien we iets wat ontstaan is doordat Christus de zon heeft verlaten. Dat zal nog steeds meer toenemen. Michaël wordt door Jahwe vooruitgestuurd om het Mysterie van Golgotha voor te bereiden.

Michaël verliest echter zijn macht in tijden waarin andere aartsengelen heersend zijn. Wanneer dus Oriphiël, Samaël etc. hun tijdperk hebben, moet Michaëls macht ongeveer zes maal 350 jaar wachten. Dus besloot Michaël in de geestelijke wereld daartegen iets te ondernemen. Hij riep een concilie bijeen om de andere aartsengelen, maar ook de engelen, en de mensen die met Michaël verwant zijn samen te brengen voor een vergadering in de geestelijke wereld. Hij wil de vernieuwde situatie geheel ‘doorspreken’, verklaren, in het bewustzijn brengen. Dat gebeurt ongeveer in de vijftiende eeuw, wanneer de eerste bijeenkomst van de Michaëlieten plaats vindt. Dat geschiedt in inspiraties. De engelen, aartsengelen en de mensen krijgen een weten van wat er gebeuren moet. De platonische en aristotelische mensenzielen hebben door inspiratie van Michaël afgesproken dat zij zich aan het eind van de twintigste eeuw tezamen zouden incarneren. De platonici Alanus ab Insulis, Bernardus Silvestris, Bernardus van Chartres en vele anderen brengen een voorchristelijke impuls, nog door helderziendheid verkregen in imaginatie, inspiratie en intuïtie. Zij waren vooral in de school van Chartres bijeen gekomen als cisterciënsers (1100/1200 na Chr.) en namen nog eens alles door wat er geweest was in de oudheid, in de Griekse cultuur, de verbinding met Persephone, die zij dan de godin Natura noemen, en de grote leer van de Hiërarchieën. Maar zij moeten dan toch tot de conclusie komen dat het zo niet verder kan gaan, omdat de helderziendheid verbleekt en de verstandsperiode aanbreekt. De kosmische intelligentie is nu bij de mensen.
Dan komt de tweede groep in de dertiende eeuw op aarde, dat worden de dominicanen, die zich ophouden in kloosterscholen en aan de universiteiten van Parijs en Keulen; dat was in de tijd van Albertus Magnus, Thomas van Aquino, Reginald van Piperno en vele anderen, die dan samen de scholastiek groot maken en daar wordt – dat is heel mooi in een voordracht van Rudolf Steiner te vinden – het ‘lijndenken’ ontwikkeld. Er wordt geleerd van punt naar punt te denken. Dat zijn geen inspiraties, men moet zelf van het ene punt naar het andere tot een conclusie komen. Dit had een grote invloed op de wetenschap, zodat later deze wetenschappelijke methode van Galilei, Copernicus en anderen in de astronomie en nog later het denken van Newton zich kon ontwikkelen – door het voorwerk van deze scholastische denkwijze. Van Albertus Magnus is bekend dat hij veel natuurwetenschap heeft bedreven. Thomas van Aquino wist heel goed welke mogelijkheden men met het denken had – hij heeft met de filosoof en kunstenaar Siger van Brabant, die een aanhanger van Averroes was, een grote strijd gevoerd. Siger zei: De uiterlijke wetenschap kan ik goed begrijpen,
maar wanneer ik mij tot de geest wend dan moet ik onbegrijpelijke dingen denken. Dat vond hij zo moeilijk dat hij niet wilde toegeven dat het denken ook in het geloof begrijpelijk kan blijven. Maar Thomas van Aquino werd heel boos, omdat hij wist dat het denken een eenheid is, dat men zich zowel uiterlijk als ook innerlijk met het denken tot de geest kan verheffen. En hij wist ook dat men in de toekomst met het denken het geloof zou overstijgen, maar hij mocht dat van de kerk nog niet onderwijzen.

BBBE8974-16A6-46E4-BD05-CC50EAC61849_4_5005_c

Aartsengel Michaël, (Rafaël, Rome 1483 - 1520)


Wanneer we dan teruggaan naar de opdracht van Michaël, dan is het zo dat zijn belangrijkste opdracht de strijd om het ik is. Want zijn school, die hij in de geestelijke wereld gegrondvest had, had ook een tegenschool. Onder de aarde waren de tegenmachten onder leiding van Ahriman bezig Michaël te bestrijden, en Michaël zag dat er twee bedreigingen waren. De eerste bedreiging was dat de mensheid kon terugvallen in de verstands-gemoedsziel, die tot de Grieks- Romeinse tijd behoorde en waarvan de ontwikkeling tot ongeveer 1500 duurde. In deze Grieks-Romeinse tijd waren er nog zeer veel imaginaties in de ziel en die kreeg men geheel passief. Dat behoorde tot de voorchristelijke Michaël-impuls. In de nachristelijke tijd moeten we zelfstandig leren denken wanneer we tot spiritualiteit willen komen. In de bewustzijnsziel is er dan de spiritualisering van het denken.
Het grootste gevaar, de tweede bedeiging was echter de materialisering in de natuurwetenschap, die ook daarom dreigde omdat men niets meer van de geestelijke wereld gewaar werd. Steeds meer breidde verstandskennis door waarnemen met de zintuigen zich uit en het daarover nadenken. Er was geen spirituele verbinding meer. Deze twee gevaren waren er.

49B2F46D-E948-4802-BF65-41B2D7F93FDC_4_5005_c
Aartsengel Gabriël (Fra Angelico, Florence 1400 – 1455)


Van 1529 tot 1897 was de tijd van aartsengel Gabriël, waarin de erfelijke hersenen van de mens door hem zo fijn bewerkt werden dat het denken zich op de fysieke zintuigwereld kon richten.

Het wordt mogelijk de natuurwetenschap te ontwikkelen door een passief opnemend denken, waarvoor de erfelijke hersenen de grondslag bieden.

In november 1879 brak het belangrijke moment aan, dat beschrijft Rudolf Steiner heel precies, dat het Michaël-tijdperk weer begon. Michaël begint weer te regeren.

Hij is de aartsengel van onze tijd en heeft vanaf dat moment 350 jaar de heerschappij. Wat is zijn opdracht? Hij werkt nu heel anders dan in de Griekse tijd. Hij is niet zo als de andere aartsengelen, die doorgaan de mensen te inspireren, dat doet hij niet meer. De mens moet hem nu zelf zijn gedachten aanbieden.

In de huidige tijd van Michaël moet de mens in plaats van passief te denken actief beginnen te denken, waardoor Michaël direct in de ziel kan werken. Rudolf Steiner beschrijft zijn zeer ernstige gelaat. Wanneer je tot hem komt zijn er twee mogelijkheden:
Hij wijst het af of hij neemt het aan. Dat kan men aan zijn gebaar en aan zijn gelaat aflezen, schouwen.

Michaël verlangt in deze nieuwe tijd dat wij met ons denken, met onze wil, iets omhoog brengen naar hem, waar hij iets mee kan beginnen. Kan hij dat, dan geeft hij het in de kosmos aan de wereld door. Kan hij het niet, komt het uit de erfelijkheid, uit de erfelijke aanleg, komt het uit het verstand, dan maakt hij een afwijzende beweging. Dat is een groot verschil met de andere aartsengelen, die nog altijd inspireren. Het is belangrijk dat wij dat weten.
Michaël heeft ook de opgave deze tegenmacht – de Bijbel zegt Satan, wij zeggen Ahriman, te bestrijden, en dat moet nu precies met deze spiritualisering van het denken gebeuren. Daarnaast is het ook heel belangrijk dat wij weten, dat Michaël een kosmopolitische geest is. Het is altijd zo geweest – wij weten dat uit Deuteronomium en van Rudolf Steiner – dat er volksgeesten zijn; hij heeft een cursus gegeven, een voordrachtencyclus over de volkszielen en –geesten. Elk volk heeft een eigen volksgeest, maar in de jaren 1914 – 1918, in de Eerste Wereldoorlog, spreekt Rudolf Steiner over de gedachten van de Amerikaanse president Wilson. In die tijd heeft Wilson duidelijk beschreven dat elk volk, dat zelfstandig zou willen worden, al is het een nog zo klein land, dat dat gehonoreerd moest worden. Rudolf Steiner benadrukt dat dat tegen de geest van Michaël is. Michaël is op weg een arche (in het Grieks is arche enkelvoud en archai meervoud) te worden, wat betekent dat hij op de hoogte (het niveau) van Ahriman komt, die ook een arche is, hoewel een achtergebleven arche. Ahriman heeft dus veel meer macht dan de aartsengelen. Maar Michaël is bijna een arche. Dat betekent, dat hij weer in de positie komt naast Oriphiël, Samaël etc. toch zijn impuls in te kunnen brengen, ook wanneer een andere aartsengel regeert. Hij had deze macht niet meer nadat Christus op aarde was gekomen, maar nu, omdat hij arche wordt, zal hij zijn impuls kunnen geven. Hij heeft arche kunnen worden, omdat hij in plaats van het aangezicht van Jahwe nu het aangezicht van Christus mag zijn. Zijn grote impuls is dus het kosmopolitische element. Dat betekent dat de volksgeesten minder belangrijk worden. Er zal een nieuwe mensheid ontstaan, dat zijn de mensen die met Michaël mee willen gaan, en dat zal over de hele wereld gaan.1 Er zal geen onderscheid meer zijn tussen man, vrouw of zwart, wit. De huidskleur doet er niet toe, ook niet waar je woont, overal kan je door je ik tot spiritualiteit en tot Michaël komen,2 dan ben je met hem verbonden, en wij vormen dan over de hele wereld een vereniging. Daarom is het ook zo, dat in het kosmische concilie – dat dan herhaald werd; het eerste was inspiratief en rond de tijd van Goethe, rond 1800, werd het imaginatief herhaald – dat Michaël imaginaties heeft gebracht en Goethe heeft die dan ‘opgevangen’, zoals Rudolf Steiner zegt, en uitgedrukt in zijn sprookje. Het sprookje van Goethe is een beeld van de school die door Michaël bijeen geroepen werd, maar dan imaginatief. Naast de kosmische impuls werd er ook over gesproken dat degenen die daar vergaderd waren de toekomstige anthroposofen worden. Er werd afgesproken in het begin van de twintigste eeuw rondom Rudolf Steiner bijeen te komen en samen te werken. De platonici zouden daar nog niet bij zijn, pas aan het eind van de twintigste eeuw zouden de platonici en de aristotelici tezamen op aarde werkzaam worden. De anthroposofen van het begin van de eeuw zouden zich dan binnen honderd jaar opnieuw incarneren om samen met de platonici de anthroposofie in de wereld te brengen. Rudolf Steiner heeft twee grote opgaven beschreven: kosmopolitisch werken en karma verlossen. Dus dat zijn de twee grote opgaven. Het gevaar is dat de mensen of terugvallen in de verstands-gemoedsziel, of dat ze ahrimanische bewustzijnszielen worden. Deze mensen zullen in het verstand zo ver zijn dat zij in het intellect ingewijd worden. Dat zijn de mensen die Ahriman inwijdt, dat zij een zodanige kracht krijgen in het intellect – dus niet in de intelligentie, niet spiritueel – dat zij tegenstanders van Michaël zijn. Het is dan de opgave, het karma van deze mensen te verlossen, met deze mensen toch te proberen ze op de weg naar Michaël te leiden. Dat zijn zeer hoge opgaven, maar ik zal dan nog verwijzen naar een tekst van Rudolf Steiner waarin iets prachtigs staat. In mijn jeugd zei mijn vader altijd tegen ons: Waar een wil is, is een weg. Niets is onmogelijk. Dat heb ik natuurlijk altijd vastgehouden, hij was een echte vechter, een zakenman, hij ging met zijn wil door gesloten deuren en trok over hoge bergen als hij iets wilde; hij heeft ook veel bereikt. Lucifer en Gabriël speelden daarbij echter nog een sterke rol. Het werkte wel, maar moest toch nog anders worden.
Maar in de tekst zegt Rudolf Steiner dat het michaëlisch is, dat wanneer je iets hebt ingezien, je daarbij blijft, ook wan-neer je tegenslagen beleeft. Je probeert te mediteren, je te concentreren, probeert anthroposofisch werk te doen - en het gaat niet. Wanneer je echter ingezien hebt dat het juist is, zegt Rudolf Steiner, geef dan nooit op, ga altijd door, het hele leven lang. En wanneer het dan toch nog niet gaat, wanneer iemand het toch in deze incarnatie moet laten liggen, dan komt het in de volgende incarnatie terug, en al waren het twintig incarnaties... gewoon doorgaan, altijd doorgaan. Dat is Michael. De persoonlijkheid komt van Lucifer, maar van onderop, en die hebben we ook nodig als grondslag, maar die kan niet in de geestelijke wereld binnenkomen, omdat die deze verontreinigt.

In de toekomst zal de persoonlijkheid van bovenaf opnieuw geinspireerd kunnen worden, om dat op te nemen wat uit de geestelijke wereld naar beneden stroomt, wanneer zij zich eerst tot het zuivere spirituele denken verheven heeft. Dat zal de impuls van Michael zijn.

De sterkte van mensendaden in de toekomst zal afhangen van de geestelijke inslag in de mens. Dat zal de overgang zijn van de Gabriel-periode naar de nieuwe Michael-tijd.


0ED038CB-7BA2-4F0D-A48F-45C99C5EF5A7_4_5005_c
Sprookje Goethe, de drukist bezochte tempel.



Literatuur:
Rudolf Steiner, Der Michaelimpuls und das Mysterium von Golgatha, 20 mei 1913, GA 152.
Rudolf Steiner, Die Anthroposophie und das menschliche Gemüt, 27. September bis 1. Oktober 1923, GA 223.