Voordracht Rotterdam: Het sociale organisme, de gelijkheid - Voordracht in Rotterdam, 20-03-19

30-12-2022 Artikel van Mieke Mosmuller

De vorige keer stond wat betreft het sociale organisme de werkende geest in plaats van de gedachte geest centraal, dat wil zeggen het vrije geestesleven. Ik had toen een citaat van Rudolf Steiner meegenomen, waarin hij zegt dat de impuls die er voor de sociale driegeleding was, niet echt werd opgenomen en hij zegt dan heel duidelijk: “We kunnen niet zonder meer met deze impuls verder. Waar het nu eerst op aankomt is, dat het vrije geestesleven, het geestesleven van de werkende geestin plaats van de gedachte geest het licht ziet.” 

Tevens zegt Rudolf Steiner, ongeveer twee jaar nadat het boek ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage’ uitgekomen was, ongeveer het volgende: “Als ik de sociale driegeleding nu zou moeten invoeren in de wereld, dan zou ik het boek eigenlijk moeten herschrijven. Zo snel verandert de situatie.” In onze tijd neemt men het boek gewoon in de hand en meent dat het nu nog dezelfde geldigheid heeft als toen het geschreven werd. Het wordt niet naar deze tijd verplaatst. 

Het vrije geestesleven is in een eeuw tijd niet heel erg veranderd, hoewel de vrijheid als mogelijkheid op zich wel wat achterop is geraakt. Het werkelijke punt van de vrijheid lag aan het eind van de negentiende eeuw, en zo veel jaren later, waar wij nu zijn, moet je het één en ander eraan toevoegen om dat punt opnieuw te kunnen bereiken. 

Maar op zich is het vrije geestesleven nog te bereiken. Nog altijd door het intensieve ontwikkelen van het denken, waarbij de wil, dus dat element in ons driegelede mensenwezen dat handelen wil, dat actief zijn wil, in het denken gebracht wordt. En dat je leert om zo te denken, alsof je helemaal in de gedachte zit en deze dan van binnenuit doet bewegen. Ook is het fenomeen van de individuele begaafdheid - wat tot het vrije geestesleven behoort - op zich niet veranderd. 

Vandaag willen we ons bezighouden met de tweede geleding van dat sociale organisme. Met het oog op wat ik zojuist heb gezegd, voel ik mij nu, honderd jaar later, vrij machteloos met betrekking tot de bestaande literatuur. Het is niet genoeg om terug te grijpen naar de bestaande literatuur en die te herhalen. Maar wat natuurlijk wel kan, is dat wij ons samen nog een keer intensief bezinnen op wat dat middengebied in het sociale organisme nu precies is, en hoe we als mensen in onze tijd wel degelijk stappen kunnen zetten om in deze tweede geleding van het sociale organisme een zekere helderheid te brengen. Al is deze driegeleding dan niet ingevoerd, wanneer zij in principe begrepen wordt is zij in zekere zin wel op aarde. 

Mieke_Mosmuller_2013

Mieke Mosmuller 

Waar het geestesleven het element van de vrijheid is en het economische leven het element van de broederlijkheid, hebben we in het middengebied het element van de gelijkheid. Dat zou zich moeten belichamen in het gebied van het rechtsleven en de staat. Maar de staat bestaat natuurlijk toch uit individuen, uit mensen die allemaal met elkaar in die gelijkheid zouden moeten proberen te leven. En daarover kunnen we het dan vanavond zeker hebben, al kunnen we geen nieuw rechtssysteem bouwen. Het andere is, dat je je bezint op wat de mens met het rechtsleven ter beschikking heeft en hoe dat in onze tijd werkzaam zou moeten worden. 

Wanneer je vanuit de medische voordrachten van Rudolf Steiner het menselijke organisme leert kennen, dan leer je het menselijke organisme als een driegeleed wezen kennen. Het centrale zenuwstelsel met de zintuigen is het deel van het menselijke organisme dat het oudst is en daardoor het meest volmaakt. Het zijn organen die weliswaar niet volledig volmaakt zijn, maar zich toch in de buurt van de volmaaktheid bevinden. We moeten de aanleg daarvan helemaal terugdenken in de belichaming van de planeet die we kennen als de oude Saturnus. 

In ons stamt de warmte nog altijd van de oude Saturnus en in dat warmte element hebben we ook onze gedachten. De tweede geleding in het menselijke driegelede organisme is het ritmische systeem. Ademhaling en circulatie, longen en hart. Die moeten wij ons voorstellen als aangelegd in de ontwikkelingsfase van de oude Zon. 

De derde geleding is het gebied van de stofwisseling. Deze vond zijn eerste aanleg in de fase van de oude Maan. Je kunt bijna hetzelfde woord gebruiken in de handel, wisseling van de stof. 

Dan is de vierde geleding het eigenlijke aardebestaan. Hier kregen we de mogelijkheid om ons te verplaatsen, dat is typisch een mogelijkheid die met onze armen en benen te maken heeft en dat is echt een aarde-verworvenheid. 

Rudolf Steiner zet in medische gezondheidskundige voordrachten uiteen, dat eigenlijk alle ziekten voortkomen uit bepaalde problematiek in het systeem van de stofwisseling. De genezing van die problematiek vindt plaats in het ritmische systeem. Zo zegt hij, dat is heel mooi, dat de grote kosmische ontwikkeling de arts (Oude Zon) eerder heeft gestuurd dan de patiënt (Oude Maan). We hebben de genezer eerder ontvangen dan de ziekte. 

Je kunt het niet helemaal doortrekken, maar het is verhelderend, als je je de mens met zijn eigenlijk viergelede organisme, maar laten we zeggen hoofd, stofwisseling en daartussen het ritmische systeem, als je daarin een gelijkenis ziet met de driegeleding van het sociale organisme. Wanneer je je verder daarin verdiept dan wordt het toch wat gecompliceerder, maar als eerste uitgangspunt is dat heel goed om naast elkaar te leggen: Hoofd, borst, buik - vrij geestesleven, rechtsleven, bedrijfsleven. 

Vergelijkbaar kun je zeker ook zeggen, dat de ziekte van het sociale organisme nooit zijn genezing kan vinden door een aanpak van de economie, want die is eigenlijk de oorzaak van alle ziekte. Je zult dus ergens anders moeten zoeken, en wel in het systeem van het ritme. Je moet het ritme zo kunnen beïnvloeden, dat het geneeskrachtig wordt, ook als het bijvoorbeeld zijn impulsen uit het centrale zenuwstelsel en de zintuigen ontvangt. Dat is een hele kunst. 

Wanneer je daar enig gevoel voor ontwikkeld hebt, dan voel je ook wel aan, hoe de driegeleding van het sociale organisme moet worden meebeleefd en hoe hier ziekte en gezondheid heersen. 

Wanneer je kijkt naar de dierenwereld, dan zie je daar wel degelijk een heel duidelijke orde in het sociale leven. De dieren ordenen het sociale leven vanuit hun instinct en doen dat in zekere zin feilloos. Dat is voor de mens niet altijd begrijpelijk. We hebben natuurlijk andere morele principes, maar wanneer je daar niet van uit gaat en je kijkt echt naar wat in de dierenwereld aan evenwichtigheid leeft, dan zie je, dat in de dierenwereld een rechtssysteem niet nodig is. Daar is het rechtssysteem met de instincten gegeven en je kunt dan ook begrijpen dat er in de mensheidsontwikkeling ook een fase is geweest, in het verre verleden, waar een rechtssysteem niet nodig was. Dat er op een heel andere manier de orde gehandhaafd werd en gezorgd werd voor een gelijke heilzaamheid voor allen, en dat daar een systeem van wetten helemaal niet aan de orde was. 

Ik zal een stuk geschiedenis van het rechtsleven geven.
Zo kennen we dat indrukwekkende punt in het Oude Testament, waar Mozes de stenen tafelen ontvangt. Paulus wijst echter naar Christus en heeft een heel bijzondere opvatting over de wet. Maar eerst is het zo, dat door Mozes de wet van God wordt ontvangen en wat in deze wet maatgevend wordt, daaraan heeft de mens zich te houden. De wet bestaat uit tien algemene geboden, en vervolgens komt nog een hele reeks van leefregels, zou je kunnen zeggen, die dan in de Joodse praktijk worden aangehouden en die daarbuiten geen geldigheid hebben. 

Ze staan op twee plaatsen, in Exodus en in Deuteronomium. Ik heb Exodus genomen:
De Bijbeltekst werd voorgelezen. 

1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende:
2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.
5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
7 Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.
8 Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.
9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;
10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; 11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
12 Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
13 Gij zult niet doodslaan.
14 Gij zult niet echtbreken.
15 Gij zult niet stelen.
16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. 
18 En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre;
19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! 
20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.
21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. 
2
2 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.
23 Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken. 
24 Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. 
25 Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.
26 Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde. 

En zo komt de wet, het gebod van God, tot de mens. 

Boeddhakomt op aarde en hij brengt met zijn leer van liefde en medelijden een soort prelude, een voorspel, op datgene wat dan in onze tijd misschien verworven zou kunnen worden. Namelijk een zelfstandig gerechtig innerlijk, dat wil zeggen, een volledig eigen rechtvaardigheid. 

Ik citeer een kleine Boeddha legende: 

‚Ik ben arm en zwak‘ sprak eens een meester tot zijn leerlingen, ‚maar jullie zijn jong en ik heb jullie jarenlang onderwezen. Nu vind ik het jullie plicht om geld bijeen te zamelen, dat je oude meester nodig heeft om van te leven.‘
‚Hoe kunnen wij dit kunnen doen?‘, vroegen hem zijn leerlingen, ‚De mensen in deze stad zijn zo gierig dat het tevergeefs zou zijn om bij hen aan te kloppen.‘
‚Mijn leerlingen,‘ antwoordde de meester, ‚er bestaat een manier om aan geld te komen, en dat is niet door erom te vragen, maar het je toe te eigenen. Het is voor ons geen zonde om te stelen, daar het ons meer toekomt dan vele anderen. Maar helaas ben ik zelf te oud om dit te doen.‘
‚Wij zijn nog jong‘, spraken de leerlingen, ‚wij kunnen het doen, er is niets, dat wij niet voor u zouden willen doen, geliefde meester. Zeg ons hoe wij moeten handelen en wij zullen u gehoorzamen.‘
‚Jullie zijn nog jong‘, antwoordde de meester, ‘het is een kleinigheid voor jullie, om een rijke man te overvallen en hem zijn beurs afhandig te maken, jullie moeten als volgt te werk gaan: zoek een afgelegen plaats, waar niemand je ziet, grijp de eerste de beste voorbijganger beeten pak hem zijn geld af, maar doe verder geen kwaad.‘
‚We gaan er meteen mee beginnen‘, zeiden alle leerlingen, behalve een, die met neergeslagen ogen niets had gezegd. De meester keek hem aan eln zei:
‚Mijn andere leerlingen zijn moedig en bereid om te helpen, maar jij trekt je het lijden van je meester helemaal niet aan.‘ ‚Vergeef me meester‘, antwoordde de leerling, ‚het plan dat u ons voorstelt lijkt mij niet uitvoerbaar, en dat is de reden van mijn zwijgen.‘
‚Waarom is het onuitvoerbaar?‘, zei de meester.
‚Omdat nergens een plek bestaat waar niemand toeziet. Zelfs als ik geheel alleen ben, word ik gadegeslagen door mijn zelf. Liever nam ik een nap mee en ging uit bedelen, dan mijzelf toe te staan mijn zelf te laten toezien, hoe ik steel.‘
Bij deze woorden lichtte het aangezicht van de meester op, hij nam de jonge leerling bij zijn arm en omhelsde hem.
‚Ik ben gelukkig, dat onder mijn leerlingen tenminste één is die mijn woorden heeft begrepen‘, sprak hij. Zijn andere leerlingen echter, die nu begrepen dat hun meester hen slechts op de proef had willen stellen, bogen hun hoofden diep in schaamte. Sinds die dag, mochten ooit onwaardige gedachten in hun geest opkomen, werden zij ogenblikkelijk herinnerd aan de woorden van de medeleerling: mijn zelf slaat mij steeds gade. Zo werden zij mannen van goud en zij leefden allen nog lang.‘ 

Plato heeft in zijn dialoog over de staat een deugden-leer gegeven. En hij kent de drie- en viergeleding van de mens ook heel goed.
Als eerste beschrijft hij de wijsheid. Maar hij beschrijft die zo, dat het niet een boek vol kennis is, dat de mens bij zich draagt, maar dat het een vermogen is om in het leven op aarde steeds meer te leren. Een vermogen om niet alleen uit boeken te leren, maar vooral te leren door alle gebeurtenissen, alle ontmoetingen, alle vriendschappen, alle vijandschappen, alles wat in het leven plaats kan vinden. Dat is de eigenlijke leerschool voor de wijsheid, gevoed door datgene, wat in iedere mens aanwezig is aan wijsheid. Een wijsheid die hij of zij meegenomen heeft uit vorige incarnaties en die eigenlijk pas kanworden benut, wanneer de poort geopend wordt doordat je ín het leven ván het leven wil leren. 

Dus je moet eigenlijk de wereld intrekken, de moed opbrengen om dat te doen, en daar je lessen volgen. Rudolf Steiner heeft een prachtige voordracht gehouden in 1915, midden in de oorlog, de eerste wereld oorlog, waarin hij dit beschrijft en zegt: “Iemand die dat niet wil, die niet van het leven wil leren, die eigenlijk zo blij is met zichzelf, dat hij wil blijven zoals hij is, die noemen wij een filister, een burger, iemand die bekrompen is en die niet bereid is om zich in het leven andere gezichtspunten te verwerven dan waarmee hij is opgevoed en geboren.” 

Op een andere plaats zegt hij, dat je de uit de familie overgeleverde wijsheden opdoet in je embryonale tijd. Dat is de tijd waarin je oud-testamentische kennis opdoet, die in de familie leeft, die door het bloed wordt overgeërfd. En het zou kunnen gebeuren, dat je daarbij blijft, je hele leven lang. Dan verwerf je geen wijsheid, dan blijf je een bekrompene. 

De tweede deugd is de deugd van het middengebied. Plato noemt dat de moed, of de dapperheid.
Rudolf Steiner beschrijft deze deugd als de durf om ook werkelijk dat te doen, wat je voor de wijsheidsverwerving moet doen. Namelijk het leven in gaan, je niet angstig terugtrekken in je kamertje, niet bang zijn voor bijvoorbeeld conflicten, of weet ik wat er allemaal op je weg kan komen. Maar dat je de moed vindt om in het leven werkelijk doortastend je weg te zoeken. 

Plato heeft ook een heel interessante invulling van deze deugd, waarbij die dan echt in het middengebied gevonden wordt. Hij beschrijft de soldaten en de krijgsheren, die hebben de dapperheid natuurlijk hard nodig. 

Plato zegt: ‘Onder dapperheid versta ik dat een vechter weet wanneer hij bang moet zijn en wanneer niet.’ Dus dat betekent niet dat je er altijd maar op los moet durven, maar je moet daar redelijkheid in hebben, een gevoel hebben voor wat kan en wat niet kan. 

De derde deugd die hij beschrijft, en die bij de stofwisseling hoort, is de deugd van de bezonnenheid die door Rudolf Steiner dan voor de nieuwe tijd gezien wordt als de matigheid. Je kunt je daarbij voorstellen hoe je met betrekking tot de stofwisseling een zekere bezonnenheid moet hebben en ook een zekere matigheid. Het is natuurlijk ook een beheersing van het wilsleven. 

En dan komt de beschrijving van de gerechtigheid. Plato ziet dat zo, dat ieder mens zijn plaats kent. Gerechtigheid is dat ieder mens precies weet waar hij staat, wat hij kan en wat niet, en zich dan ook niet ongelijk voelt. 

In die zin betekent gelijkheid niet, dat je allemaal precies hetzelfde bent, maar de gelijkheid betekent dan, dat je met alle kracht je positie weet in te nemen en daar gelukkig mee bent, en dat je daar dus ook het beste van weet te maken. 

Bij Rudolf Steiner vinden we dan de gerechtigheid in een verdieping. Wanneer je aan een rechter denkt, aan iemand die met gerechtigheid weet te beoordelen, dan heb je bij een rechter te maken, hoop je, met iemand die een zekere richtkracht heeft voor het juiste, die precies weet te peilen hoe het nu eigenlijk in elkaar zit. Dat, zegt Rudolf Steiner, heeft iedere mens in zijn leven gekend, deze ‘kunst van het rechten’. Maar dat verlies je in je latere leven, je hebt het in je eerste drie jaren van je leven. Wanneer je leert opstaan, leert lopen, leert spreken en leert denken. Dat is een ongelofelijke zuivere richtkracht. Wanneer je een kindje ziet dat zich opricht, het evenwicht zoekt om te kunnen blijven staan, dan zie je daar een soort rechter-kracht, maar dan natuurlijk volledig geleid door het Goddelijke. Dat raakt de mens kwijt, maar iets daarvan blijft behouden. Het kan ook verder worden ontwikkeld en dat is de deugd van de rechtvaardigheid. 

Volgens Rudolf Steiner is deze deugd nog lang niet aan de tijd. De andere drie kunnen we wel ontwikkelen. Aan de deugd van de gerechtigheid moeten we wel werken, maar het is een heel geheimvolle kracht, die zich pas in de loop van de mensheidsontwikkeling zal ontplooien. Dan krijg je toch een indruk van het gelijke recht. Als je deze inhouden uit de grote literatuur, bijvoorbeeld Plato en de grote moderne literatuur, de voordrachten van Rudolf Steiner, als je die meditatief leest, zodat je ze verdiept, dan begint iets te dagen van wat gelijkheid onder de mensen is en van het vermogen van de mensen onder elkaar om ten opzichte van elkaar rechtvaardig te zijn. 

Wanneer je dan naar het recht kijkt, zoals het is, dan zie je inderdaad dat dit niet bereikt is. Het rechtssysteem dat wij hebben is iets heel anders. Rudolf Steiner beschrijft, dat in de westerse mens, en daartoe behoren wij ook (niet helemaal uiterst westelijk, wij behoren tot het west-midden), bij iedereen iets onder in het bewustzijn leeft, zonder dat dit omhoog komt. Hij noemt dat een ‘Gespenst’, een spook eigenlijk, wat uit het verleden in ons is, niet uit vorige incarnaties zozeer, maar uit de vroegere mensheidsontwikkeling. Dat hebben wij bij ons en dat bepaalt de wetgeving. Het is het Romeinse recht. Het Romeinse recht zit in ons allemaal. Je kunt het ook veruiterlijkt zien, als je president Trump in zijn kantoor ziet, met zijn bureau, zijn vlag en zijn hele presentatie, dan zie je Rome. Dat dragen wij allemaal in ons. 

Rudolf Steiner geeft een mogelijkheid aan om daar overheen te komen. En dat is, dat je er langzamerhand van bewust wordt, dat dit in ieder mens in het westen in het onderbewuste zit. Onze oordeelsvorming over het recht wordt daar heel sterk door bepaald. Overal in de parlementen, in regeringen, in besluitvorming. Overal waar men zich met staatszaken bezighoudt, speelt dit Rome nog steeds de hoofdrol. 

Bij de oosterse mens is dat iets heel anders, daar is het geen ‘Gespenst’, maar is het een soort van bedreiging, een bedrukkende droomtoestand, die in de mens aanwezig is, die ook niet bewust wordt - en dat is de droom van de toekomst, dat is namelijk de droom van de zesde cultuurperiode, van Philadelphia, wanneer alle mensen broeders worden. Dat is de droom van de oosterse mens, maar die is nog geen waarheid geworden. Daardoor is dit eveneens een storende factor, zoals Rome bij de westerse mens een storende factor is. 

Wat dus in feite niet bij de tijd hoort, deze innerlijke toestanden, bepalen voor een groot deel het rechtsleven van de mens. 

Wanneer we dan verder gaan in de geschiedenis, na Plato, dan komen we na Christus heel indrukwekkend Paulus tegen, die in zijn brief aan de Romeinen schrijft, dat de wet de oorzaak is van de zonde. Dat is natuurlijk een heel wonderlijke formulering. Hij zegt: “Voordat de wet er was, was er geen zonde, de zonde ontstaat pas met de wet. Wij Christenen moeten ons niet bezig houden met de wet, maar wij moeten Christus in ons opnemen. Dat is de levende wet en dat zal er van binnenuit voor zorgen, dat dat, wat ooit wet was bij Mozes, door de mens zelf vol bewust gewild wordt.” Dat je niet anders wil leven, dan volgens die principes, maar dan nog veel grootser en uitgebreider en liefderijker dan in die tien geboden kort wordt samengevat. Dat is Paulus. 

Daar voel je de enorme omslag in het rechtsleven, met ook weer een blik op de toekomst, waarin een mens word verwacht, die zou kunnen leven zoals dat in ‘De Filosofie der Vrijheid’ tenslotte wordt beschreven, dat je je eigen wet bent. Maar daar die wet bij alle mensen uit dezelfde bron komt, zijn alle mensen in het wetsgebied gelijk. Alleen de manier, waarop je je wetten put, die is anders, maar er is geen tegenstrijdigheid in de wet. 

Tegen deze doorchristelijkte middenmens vecht in ons nog heel veel. En ik heb gedacht, wanneer je over die tweede geleding van de drie wilt spreken, dan moet je toch eigenlijk spreken over de directe sociale omgang, de omgang van mens tot mens, niet in het gebied waarin de ene door zijn karma in het geestesleven verder ontwikkeld is, of minder ver ontwikkeld is, maar in het middengebied, waar wij allemaal dezelfde lucht inademen, en ook uitademen. Er is niemand die zegt dat hij dat onhygiënisch vindt... Dat komt misschien ook nog, dat mensen met lapjes voor de mond gaan lopen omdat zij de lucht van de anderen niet kunnen verdragen. 

In verband met de luchtverontreiniging kan dat nog begrijpelijk zijn. Maar dat je dat zou doen, omdat je de gedachte niet kunt verdragen dat een ander mens jouw lucht eerst binnen heeft gehad, daar moet je eens over nadenken. Ja, zo ver zijn we nog niet. 

Dat samen gebruikmaken van de lucht, dat is een beeld voor de gelijkheid onder de mensen. En zoals ik al zei zijn er nogal wat factoren die ons daarbij storen, om in het sociale leven werkelijk in de gelijkheid met elkaar om te gaan. Dan kun je altijd weer je toevlucht zoeken tot Rudolf Steiner, die een geweldige inspirator is natuurlijk. Hij beschrijft bij voorbeeld de drie antisociale aandriften in de mens, waar de mens dus niet sociaal is. In het denken is het zo, dat wanneer je met een mens gedachten uitwisselt, wanneer je een ontmoeting hebt, het nu eenmaal zo moet zijn dat de een aan het woord is en de ander luistert. Dat is nu heel extreem het geval, tijdens de voordracht. Maar in een gesprek is er natuurlijk een heen en weer. Misschien kennen jullie de filosofie van Sartre, de Fransman, die beschreven heeft in ‚L‘Être et le Néant‘ (Zijn en Niet-Zijn) dat je in de ontmoeting met een ander mens voortdurend een strijd voert om het zijn. En dat is iets antisociaals, dat je aan het vechten bent om je zijn te bewaren, en dat die ander je dat afpakt en de macht dreigt te nemen. En dat hij dan het zijn heeft en dan heb jij het niet. En zo is er, zo beschrijft hij, nooit een evenwicht. 

Rudolf Steiner beschrijft het genuanceerder. In het gesprek is het zo, dat wanneer je de ander toehoort, je je eigen denken opgeeft voor het denken van de ander. Dus je moet op dat moment even ophouden je eigen gedachten te vormen, want anders ontgaat je wat die ander zegt. Het stoort de communicatie, wanneer je dat niet wilt en dus bij je eigen gedachten blijft, niet luistert. Als je wel luistert, dan treedt dat antisociale element op, dat die ander jou in slaap brengt. Dat is natuurlijk zo, want je slaapt als het ware in de gedachten van de ander in. Je blijft wakker voor de ander maar bent jezelf zo sterk vergeten alsof je slaapt. Sociaal wordt dat, wanneer de mens dat met wil doet. Wanneer jullie hier zitten en je luistert naar mij en je brengt geen wil op, om met opzet toe te horen, dan val je in slaap - en dan heb ik dat gedaan, eigenlijk. Want in feite is een monoloog iets antisociaals. Jullie kunnen mij daarvan verlossen door met wil die gedachten mee te denken, maar dat moeten jullie natuurlijk zelf willen. 

In het gesprek is dat iets anders, daar is het voortdurend - als het goed is - een heen en weer en dan is dat in een zeker evenwicht. Maar het blijft een antisociale manier van communiceren, tenzij beide partijen met wil zich in de gedachten van de ander willen verdiepen, dan is het over. Als je passief naar elkaar luistert, dan is dat eigenlijk voortdurend antisociaal. 

In het gevoelsleven kennen wij het heel goed, wanneer wij antisociaal zijn, en dat is wanneer we ons met de gevoelens laten leiden tot oordelen vanuit sympathie en antipathie. Dat is natuurlijk voortdurend het geval, dat kan ook eigenlijk niet anders. Je voelt de emoties, maar je zou je kunnen leren beheersen, om niet tot een oordeel te komen en dit al helemaal niet uit te leven. Dan zou je er langzamerhand aan gewend raken, dat je in het gevoelsleven met de medemens niet je emoties moet volgen, maar dat je een weg moet zien te vinden om met je medemens te leven. Dat is eigenlijk de kunst. Dat je dus niet in allerlei emoties opbruist of neerzakt, maar dat je met de ander kunt leven. Dan wordt het gevoelsgebied een sociaal gebied. 

We hebben de vorige keer op de tweede dag een paar oefeningen op dat gebied gedaan. 

Het gebied van de wil, daar ligt het sociale vooral in het offer van het zelf en dat zou je ook liefde kunnen noemen. Hoewel de liefde zeker in het gebied van het gevoel ook een plaats vindt. Daar is liefde er niet als sympathie, maar als het leren leven met je medemens in vreugde en verdriet, dat is iets anders natuurlijk. 

In het wilsleven komt het echt aan op het offer.

Bij Rudolf Steiner vind je wanneer hij daarover spreekt altijd de vermaning, dat ieder mens van zichzelf vindt dat hij dat eigenlijk wel kan, dat hij zichzelf wel kan wegcijferen. Maar dat dit in de meeste gevallen toch in ernstige mate een illusie is, die je jezelf voorspiegelt. Dat in feite het echte offeren van het zelf ter wille van het zelf van de ander toch nog iets heel anders is, dan wat wij zo denken, wat liefde is. Daar kun je je natuurlijk in verdiepen, hoe dat dan moet zijn. Maar al met al kom je dan op een impuls van de zelfopvoeding uit, zowel wat betreft dat gebied van het denken, het zuivere gevoelsgebied, en het wilsgebied. Waarin je ziet, inziet, geleidelijk aan, dat het middengebied, de uitwisseling met je medemens, de omgang in het puur sociale gelijkheidsgebied, iets is wat er van nature heus niet is. Dat dit iets is, wat echt actief in de hand moet worden genomen. Dat je daar een levensideaal van zou kunnen maken, dat je daar je dagen aan wijdt. Ieder mens heeft met andere mensen te maken en je kunt ook achter de toonbank bij de supermarkt of zo aan zelfopvoeding doen, ook als klant bij de kassa. 

Dat het niet lukt, dat is natuurlijk duidelijk. Niet volmaakt bedoel ik. Je blijft natuurlijk bij de terugblik op de dag altijd die momenten vinden waarin dat niet volmaakt was. Maar het gaat veel meer om het streven, dan om de resultaten. En dan zul je zien, dat je, langzamerhand, enige stappen in de goede richting zet. 

Dus de sociale geleding van het midden begint bij ons direct hier, straks, nu, morgen. Overal waar je met mensen te maken hebt, heb je te maken met dat gebied van de gelijkheid. De andere twee gebieden liggen in een ander levensgebied, de economie en het geestesleven. Maar de gewone omgang van alledag is een gebied van de gelijkheid. En zo lang we als mens, die zich wil ontwikkelen naar een sociale driegeleding, dat niet inzien, dat het toch daar moet beginnen, kun je nu, 100 jaar na het niet geslaagd zijn van de impuls van Rudolf Steiner, niet verwachten dat het dan nu wél zal slagen. 

Als wij niet als Anthroposofen een impuls in ons voelen opkomen, de vraag ‘wie is dat eigenlijk, die gelijke, die ik hier ontmoet? Hoe kom ik in een in- en uitademing op dezelfde vrije en niet terughoudende manier, als ik dat met mijn ademhaling doe? Waarom is dat allemaal zo gecompliceerd en zo moeilijk, wat kan ik doen, om een andere houding te vinden in dat gebied van de gelijkheid?’ - dan komen we niet in de buurt van een sociale driegeleding, zelfs niet in de buurt van de werkzame Idee. 

Dat ligt natuurlijk nog meer in het gebied van de vrijheid, wat ik nu zeg, de vrije wil tot zelfopvoeding. Maar het resultaat ligt in het gebied van de gelijkheid. De vrijheid in het geestesleven is een vrijheid van het ik dat zichzelf bepaalt. Hier kom je in een gebied waar je alleen maar iets voor je zelf te zoeken hebt, want je kunt nooit, nooit van een ander verwachten dat die zichzelf opvoedt. Je kunt dit alleen van jezelf verwachten. 

Het is één van de grote storende impulsen, natuurlijk ook in een gemeenschap waarin spiritualiteit gezocht wordt, dat de gelijkheid in het gevoelsleven in feite nog veel kostbaarder, meer geheiligd moet worden dan de vrijheid in het geestesleven. Juist omdat in het geestesleven de mens zichzelf bepalen kan, is het ook absoluut mogelijk om in dat gebied elkaar te kritiseren, of in ieder geval de discussie aan te gaan. In het gebied van de wetenschap is dat ook gebruikelijk. Je zou niet verder komen in de wetenschap, als niemand ooit zou mogen zeggen: Dit wat toen onderzocht en als waarheid werd aangenomen, is niet waar. In dat gebied ligt de discussie, maar in het gebied van het midden, en in het gebied van de wil, daar komt het echt op je zelf aan en daar zullen we zo ver moeten komen, dat wij in onszelf de impuls wekken, om straks, morgen, en de rest van het leven die ontwikkeling in gang te zetten. Natuurlijk hebben jullie dat al lang gedaan, maar ik moet het zeggen. Want het is de kern van de zaak, wanneer je het hebt over de tweede geleding in het sociale organisme. 

Ik heb, voor ik de anthroposofie heb leren kennen, veel over deze dingen nagedacht, zonder hulp van Steiner, en in het leven ook heel veel op dat gebied gelezen en toegepast. Een van de geschenken vóór Rudolf Steiner was Martin Buber, die een beschrijving geeft van dat middengebied, waar je een onderscheid maakt tussen het ik, dat met een gij in de ontmoeting samen komt, of in de ontmoeting met een het samenkomt, ich und du, of ich und es. Dus ik en jij, maar dan is jij natuurlijk duidelijk ook ik, dat is alleen de ander zijn ik, maar dat is hetzelfde, dan heb je echt een communicatie. Maar wat meestal gebeurt is, dat de ander tot een ding wordt gemaakt en ook als een ding wordt behandeld, dat is natuurlijk schaamteloos. Het is vaak een verdedigingsmechanisme ook, dat moet je dan ook altijd inzien. 

Hoe dan ook, Martin Buber heeft een aantal opstellen geschreven, over deze gedachten, over de mens. Hij heeft dat samengevat onder de titel: Het dialogische principe. En hij beschrijft (ik zou het hele boek willen voorlezen maar ik beheers me): 

Wat betekent het precies, om met een mens een te worden? ofwel ‚eines Menschen innezu werden‘. Dat betekent heel in het algemeen, dat je hem als een geheel, maar toch tegelijkertijd zonder abstracties in alle concreetheid in alle delen kunt ervaren. Een mens is als wezen onder wezens en zelfs als een ding onder dingen toch iets wat van alle andere dingen en van alle andere wezens categoriaal verschillend is. Omdat een mens niet werkelijk begrepen kan worden zonder dat men hem ook ziet als diegene, die een mens nu eenmaal is, een mens die onder alle ander wezens de enige is, die de gaven van de geest heeft, en die deze gaven van de geest ook op een beslissende manier laat deelnemen aan zijn persoon-zijn. De mens heeft een geest die zijn persoonmeebestemt. Een echt ‚Menschen- innewerden‘, dat betekent dus in het bijzonder om de heelheid als de door de geest bepaalde persoon waar te nemen en dan het dynamische midden waar te nemen, dat al zijn uitingen, zijn handeling, zijn houding het te vatten teken vormt van zijn absolute uniekheid. Zo‘n Innewerden is echter onmogelijk, wanneer en zo lang de andere voor mij het op zich zelf gestelde object van mijn beschouwing of waarneming is. Want dan kan ik nooit die mens in die beschreven totaliteit vatten. En kom ik met het midden niet in een kennismaking. Dat is pas mogelijk wanneer ik op een elementaire wijze met de ander in een ontmoeting kom, wanneer hij voor mij een tegenwoordigheid wordt, die in het worden ligt. Daarom duid ik het Innewerden in deze bijzondere betekenis aan, als het tegenwoordig worden van de persoon. 

Zo gaat het hele boek door, dat je dus eigenlijk alsmaar denkt: Ja, zo is het! 

Daarmee sluit ik dan voorlopig af en na de pauze kunnen we nog in gesprek komen en morgen kunnen we in oefening geraken, op allerlei manieren.